Groei en placenta - foetale groei - foetale groeirestrictie

45 belangrijke vragen over Groei en placenta - foetale groei - foetale groeirestrictie

Bij foetale groeirestrictie door placenta-insufficiëntie treedt een redistributie van de foetale circulatie op. Wat is hiervan het effect?
  • A) Verhoogde bloedtoevoer naar de nier
  • B) Verminderde bloedtoevoer naar minder essentiële organen
  • C) Verhoogde vruchtwaterproductie
  • D) Verminderde bloedtoevoer naar de hersenen

  • B) Verminderde bloedtoevoer naar minder essentiële organen

Wat is een mogelijk gevolg van verminderde nierdoorstroming bij foetale groeirestrictie?
  • A) Toename van vruchtwater
  • B) Polyhydramnion
  • C) Oligohydramnion door verminderde urineproductie
  • D) Normale vruchtwaterhoeveelheid

  • C) Oligohydramnion door verminderde urineproductie

Welke methode kan worden gebruikt om de hoeveelheid vruchtwater te kwantificeren?
  • A) Hartslagvariabiliteit
  • B) Amniotic Fluid Index (AFI)
  • C) Dubbel doppleronderzoek
  • D) Fundushoogte meten

  • B) Amniotic Fluid Index (AFI)
  • Hogere cijfers + sneller leren
  • Niets twee keer studeren
  • 100% zeker alles onthouden
Ontdek Study Smart

At wijst op een oligohydramnion bij de single deepest vertical pocket (SDVP) methode?
  • A) Een SDVP van > 8 cm
  • B) Een SDVP van < 2 cm
  • C) Een SDVP van tussen 5 en 10 cm
  • D) Een SDVP van 2-5 cm

  • B) Een SDVP van < 2 cm

Welk diagnostisch hulpmiddel kan worden gebruikt om te differentiëren tussen placenta-insufficiëntie en andere oorzaken van foetale groeirestrictie?
  • A) CT-scan
  • B) Fundushoogte meting
  • C) Doppleronderzoek van bloedvaten
  • D) Urineonderzoek

  • C) Doppleronderzoek van bloedvaten

Welke van de volgende organen heeft bij foetale groeirestrictie door placenta-insufficiëntie een verhoogde bloedtoevoer om de ontwikkeling te waarborgen?
  • A) Nieren
  • B) Foetale longen
  • C) Hersenen
  • D) Maagdarmkanaal

  • C) Hersenen

Wat is een typisch teken van asymmetrische groeirestrictie bij foetale groeirestrictie door placenta-insufficiëntie?
  • A) De foetale hoofdomtrek is kleiner dan verwacht
  • B) De abdominale omtrek blijft achter vergeleken met de hoofdomtrek
  • C) Alle foetale biometrische parameters zijn proportioneel klein
  • D) De vruchtwaterhoeveelheid neemt toe

  • B) De abdominale omtrek blijft achter vergeleken met de hoofdomtrek

Wat wordt gemeten met pulsed-Doppler in de arteria umbilicalis bij een foetus?
  • A) Hartslag van de moeder
  • B) Weerstand en bloedstroomsnelheid in de navelstreng
  • C) Frequentie van foetale bewegingen
  • D) Lengte van de navelstreng

  • B) Weerstand en bloedstroomsnelheid in de navelstreng

Wat wordt bedoeld met einddiastolische flow (EDF) in de context van foetale bloedstroom?
  • A) De snelheid van bloedstroom in de systole
  • B) De hoeveelheid bloed die naar de placenta stroomt
  • C) De bloedstroomsnelheid tijdens de diastole
  • D) De maximale druk van bloed in de arteria umbilicalis

  • C) De bloedstroomsnelheid tijdens de diastole

Waar wordt het pulsed-Doppler-samplevolume bij voorkeur geplaatst bij het meten van de bloedstroom in de arteria umbilicalis?
  • A) Dicht bij de foetale insertie van de navelstreng
  • B) Halverwege tussen de foetale en placentaire insertie
  • C) Direct naast de placenta
  • D) In het proximale deel van de foetale aorta

  • B) Halverwege tussen de foetale en placentaire insertie

Wat is een mogelijke oorzaak van een afwezige of omgekeerde einddiastolische flow (REDF) in de arteria umbilicalis?
  • A) Placenta-insufficiëntie
  • B) Syndromale afwijkingen
  • C) Foetale hyperactiviteit
  • D) Verhoogde foetale nierfunctie

  • A) Placenta-insufficiëntie

Met welk percentage van het aangetaste placentaire vaatbed begint de weerstand in de navelstrengarterie merkbaar te stijgen?
  • A) 10%
  • B) 25%
  • C) 60%
  • D) 85%

C 60%

Wat wordt geassocieerd met een omgekeerde einddiastolische flow (REDF) in de arteria umbilicalis?
  • A) Lage kans op perinatale sterfte
  • B) Verminderd risico op groeirestrictie
  • C) Hoge perinatale sterfte
  • D) Verbeterde placentaire functie

  • C) Hoge perinatale sterfte

Bij welke groepen patiënten is het klinisch zinvol om de bloedstroom in de arteria umbilicalis te meten?
  • A) Vrouwen zonder risicofactoren
  • B) Hoogrisicozwangerschappen met hypertensie of intra-uteriene groeirestrictie
  • C) Gezonde eenlingzwangerschappen
  • D) Alle zwangerschappen

  • B) Hoogrisicozwangerschappen met hypertensie of intra-uteriene groeirestrictie

Wat duidt een toegenomen bloedstroom naar de foetale hersenen aan bij een doppleronderzoek van de arteria cerebri media (ACM)?
  • A) Normale groei
  • B) Macrosomie
  • C) ‘Brain sparing’ bij groeirestrictie
  • D) Placenta-insufficiëntie zonder gevolgen

  • C) ‘Brain sparing’ bij groeirestrictie

Hoe wordt de weerstand in de arteria umbilicalis doorgaans berekend?
  • A) Door de foetale bloeddruk te meten
  • B) Met de pulsatiliteitsindex (PI)
  • C) Via directe observatie
  • D) Door het aantal foetale bewegingen te tellen

  • B) Met de pulsatiliteitsindex (PI)

Wat is de rol van kleurendoppler bij het onderzoeken van de foetale arteria cerebri media (ACM)?
  • A) Het meten van de foetale hartslag
  • B) Het visualiseren van cerebrale vaten en meten van vasculaire weerstand
  • C) Het bepalen van het foetale gewicht
  • D) Het vaststellen van de placentalocatie

  • B) Het visualiseren van cerebrale vaten en meten van vasculaire weerstand

Op welk niveau van de foetale schedel wordt de ACM visualisatie met kleurendoppler uitgevoerd?
  • A) Op het niveau van de BPD/HC-meting
  • B) Bij de schedelbasis op het niveau van de kleine vleugel van het os sphenoidale
  • C) Ter hoogte van het foetale gezicht
  • D) Bij de navelstrenginsertie

De ACM visualisatie met kleurendoppler wordt uitgevoerd bij de schedelbasis.

- B) Bij de schedelbasis op het niveau van de kleine vleugel van het os sphenoidale.

Wat is de meest gebruikte meting om de vasculaire weerstand in de ACM te bepalen?
  • A) Bloedstroomsnelheid
  • B) Einddiastolische flow
  • C) Pulstatiliteitsindex (PI)
  • D) Gemiddelde bloeddruk

  • C) Pulstatiliteitsindex (PI)

Wat duidt een verlaagde PI in de ACM aan bij foetale hypoxie?
  • A) Een verminderde bloedstroom naar de hersenen
  • B) Een toename in de bloedstroom naar de hersenen (‘brain sparing’)
  • C) Normale hersenontwikkeling
  • D) Een verhoogde weerstand in de hersenvaten


B) Een toename in de bloedstroom naar de hersenen (‘brain sparing’).

Wat betekent de term ‘brain sparing’ in de context van foetale hypoxie?
  • A) Vermindering van de bloedtoevoer naar de hersenen
  • B) Een beschermend mechanisme waarbij meer bloed naar de hersenen stroomt
  • C) Een verlaagde bloeddruk in de foetus
  • D) Een toename van de foetale nierfunctie

  • B) Een beschermend mechanisme waarbij meer bloed naar de hersenen stroomt

Welke ratio kan behulpzaam zijn bij het vaststellen van brain sparing, zelfs wanneer de PI-waarden nog normaal zijn?
  • A) PI ACM / BPD
  • B) PI ACM / PI AU (arteria umbilicalis)
  • C) BPD / HC ratio
  • D) Einddiastolische flow (EDF)

  • B) PI ACM / PI AU (arteria umbilicalis)

Welke organen ontvangen minder bloedtoevoer bij foetale hypoxemie als gevolg van het brain sparing-mechanisme?
  • A) Hersenen, myocard, en bijnieren
  • B) Nieren, maag-darmkanaal, en onderste extremiteiten
  • C) Placenta en lever
  • D) Hart en longen

  • B) Nieren, maag-darmkanaal, en onderste extremiteiten

Welke verandering in de ACM wordt typisch waargenomen bij foetale hypoxie?
  • A) verhoogde PI in de ACM
  • B) Verlaagde PI in de ACM
  • C) Verlaagde PI in de ACM en verhoogde PI in de arteria umbilicalis
  • D) Afwezige diastolische flow in de ACM

  • C) Verlaagde PI in de ACM en verhoogde PI in de arteria umbilicalis

Welke verandering in de ACM wordt typisch waargenomen bij foetale hypoxie?
  • A) verhoogde PI in de ACM
  • B) Verlaagde PI in de ACM
  • C) Verlaagde PI in de ACM en verhoogde PI in de arteria umbilicalis
  • D) Afwezige diastolische flow in de ACM

  • C) Verlaagde PI in de ACM en verhoogde PI in de arteria umbilicalis

Waarom wordt een verlaagde PI in de ACM bij foetale hypoxie gezien als een teken van compensatie?
  • A) Het verhoogt de bloedstroom naar de hersenen om hersenbeschadiging te voorkomen
  • B) Het vermindert de bloeddruk in de placenta
  • C) Het leidt tot een betere nierfunctie
  • D) Het verhoogt de bloedstroom naar de navelstreng

  • A) Het verhoogt de bloedstroom naar de hersenen om hersenbeschadiging te voorkomen

Wat is de belangrijkste functie van de ductus venosus in de foetale circulatie?
  • A) Het transporteren van zuurstofarm bloed naar de placenta
  • B) Het vervoeren van zuurstofrijk bloed van de placenta naar het foetale hart
  • C) Het verwijderen van afvalstoffen uit het foetale bloed
  • D) Het reguleren van de bloeddruk in de foetale nieren

  • B) Het vervoeren van zuurstofrijk bloed van de placenta naar het foetale hart

Welke weg volgt het zuurstofrijke bloed vanuit de ductus venosus om naar de hersenen en het myocard te stromen?
  • A) Via de longslagaders naar de aorta descendens
  • B) Via het foramen ovale naar de linkerharthelft en de aorta ascendens
  • C) Via de arteria pulmonalis naar het linkeratrium
  • D) Via de ductus arteriosus naar de aorta descendens

  • B) Via het foramen ovale naar de linkerharthelft en via de aorta ascendens naar het myocard en de hersenen

Wat is kenmerkend voor het bloedstroomprofiel van de ductus venosus?
  • A) Een continue stroom met pieken tijdens de contractiefase van de atria
  • B) Drie fasen: een systolische (S), een diastolische (D), en een einddiastolische fase (a)
  • C) Alleen pieken tijdens de systole van de foetale hartslag
  • D) Geen continue stroom maar onderbroken bloedstromen

  • B) Drie fasen: een systolische (S), een diastolische (D), en een einddiastolische fase (a)

Wat toont een afwijkend flowpatroon met retrograde flow tijdens de a-golf in de ductus venosus aan?
  • A) Normale foetale circulatie
  • B) Afwijkende leverfunctie bij de foetus
  • C) Foetale bedreiging of verslechtering van de foetale conditie
  • D) Een toename van de longdoorstroming

  • C) Foetale bedreiging of verslechtering van de foetale conditie

Waar in het foetale lichaam wordt de ductus venosus het best onderzocht?
  • A) Vlakbij de placenta
  • B) Direct na zijn oorsprong uit de vena umbilicalis
  • C) In het foetale rechteratrium
  • D) In de aorta ascendens

  • B) Direct na zijn oorsprong uit de vena umbilicalis

Wat is het voordeel van kleurendoppler bij het onderzoeken van de ductus venosus?
  • A) Het verhoogt de snelheid van het bloed
  • B) Het helpt bij het lokaliseren van de DV door de snelheid van het bloed te laten zien
  • C) Het meet de bloeddruk in de DV
  • D) Het verhoogt de bloedstroom naar de hersenen

  • B) Het helpt bij het lokaliseren van de DV door de snelheid van het bloed te laten zien

Wat wordt gemeten met de pulsatiliteitsindex (PI) in de ductus venosus?
  • A) De hoeveelheid zuurstof in het bloed
  • B) De snelheid en weerstand van de bloedstroom
  • C) De hartslagfrequentie van de foetus
  • D) De dikte van de navelstrengwand

  • B) De snelheid en weerstand van de bloedstroom

Wat wordt bedoeld met een verhoogde PI in de ductus venosus?
  • A) Normale foetale circulatie
  • B) Een verhoogde bloedstroom naar de placenta
  • C) Een indicatie van mogelijke foetale problemen of stress
  • D) Een toename van foetale activiteit

  • C) Een indicatie van mogelijke foetale problemen of stress

Waarvoor kan de PI-metingsresultaat in de DV gebruikt worden?
  • A) Het voorspellen van het geslacht van de foetus
  • B) Het bepalen van het tijdstip van de bevalling bij groeirestrictie
  • C) Het meten van de nierfunctie van de foetus
  • D) Het meten van de ademhaling van de foetus

  • B) Het bepalen van het tijdstip van de bevalling bij groeirestrictie

Wat is het primaire doel van de fysiologische aanpassing van de spiraalarteriën tijdens de zwangerschap?
  • A) Verminderen van de bloedtoevoer naar de placenta
  • B) Zorgen voor een tienvoudige toename in bloedstroom naar de uterus
  • C) Handhaven van een lage bloedstroom in de arteria uterina
  • D) Verlagen van de foetale bloeddruk

  • B) Zorgen voor een tienvoudige toename in bloedstroom naar de uterus voor de ontwikkeling van de foetus en de placenta

Welke techniek wordt het meest betrouwbaar gebruikt om de bloedtoevoer in de arteria uterina te meten?
  • A) Het meten van de bloeddruk
  • B) Kleurendoppler en pulsed-Doppler-samplevolume
  • C) Directe observatie van de spiraalarteriën
  • D) Echografie zonder Doppler

  • B) Kleurendoppler en pulsed-Doppler-samplevolume

Op welk punt kan de arteria uterina het best met Doppler onderzocht worden?
  • A) Net boven het punt waar de arteria uterina de arteria iliaca externa kruist
  • B) Ter hoogte van het hart van de foetus
  • C) Vlak bij de placenta
  • D) Ter hoogte van de navelstreng

  • A) Net boven het punt waar de arteria uterina de arteria iliaca externa kruist

Welke bevinding in het Doppler-profiel van de arteria uterina wijst op een verhoogde weerstand?
  • A) Continue stroom in de einddiastole
  • B) Een vroege diastolische notch
  • C) Afwezigheid van een notch in de diastole
  • D) Hoge bloedstroomsnelheid zonder onderbrekingen

  • B) Een vroege diastolische notch

Wat wordt geassocieerd met een verhoogde weerstand in de arteriae uterinae tijdens de zwangerschap?
  • A) Verhoogd risico op pre-eclampsie en intra-uteriene groeirestrictie
  • B) Verlaging van de foetale hartslag
  • C) Verbeterde neonatale uitkomsten
  • D) Lagere kans op vroeggeboorte

  • A) Verhoogd risico op pre-eclampsie en intra-uteriene groeirestrictie

Welke parameter wordt vaak gebruikt om de weerstand in de arteria uterina te beoordelen?
  • A) Systolische druk
  • B) Bloedstroomsnelheid
  • C) Resistentie-index (RI) of pulsatiliteitsindex (PI)
  • D) Hartslagfrequentie

  • C) Resistentie-index (RI) of pulsatiliteitsindex (PI)

Hoe kan een verhoogde weerstand in de arteria uterina in het eerste trimester helpen bij risicobepaling?
  • A) Door vroege interventie te bieden om placenta-insufficiëntie te voorkomen
  • B) Door het geslacht van de foetus te voorspellen
  • C) Door het risico op intra-uteriene infecties te verminderen
  • D) Door het risico op pre-eclampsie vroegtijdig te bepalen

  • D) Door het risico op pre-eclampsie vroegtijdig te bepalen

Welke van de volgende factoren wordt NIET gebruikt bij vroege risicobepaling voor pre-eclampsie in combinatie met het Doppler-profiel van de arteria uterina?
  • A) Maternaal bloeddrukprofiel
  • B) Serummarkers van de placentafunctie
  • C) Pulsatiliteitsindex (PI) van de foetale nieren
  • D) Bloedstroompatroon in de arteria uterina

  • C) Pulsatiliteitsindex (PI) van de foetale nieren

Welke aandoening kan mogelijk optreden als een van de gevolgen van een verhoogde weerstand in de arteriae uterinae?
  • A) Verhoogde kans op macrosomie
  • B) Verminderde kans op sectio caesarea
  • C) Iatrogene vroeggeboorte
  • D) Verbeterde placentaire functie

  • C) Iatrogene vroeggeboorte

Welk effect kan een verhoogde PI in de arteria uterina tijdens het tweede trimester hebben op de zwangerschap?
  • A) Minder kans op intra-uteriene groeirestrictie
  • B) Verbetering van de vruchtwaterhoeveelheid
  • C) Groter risico op abruptio placentae
  • D) Verminderde kans op hypertensie bij de moeder

  • C) Groter risico op abruptio placentae

De vragen op deze pagina komen uit de samenvatting van het volgende studiemateriaal:

  • Een unieke studie- en oefentool
  • Nooit meer iets twee keer studeren
  • Haal de cijfers waar je op hoopt
  • 100% zeker alles onthouden
Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.
Trustpilot-logo