Holistische zorg voor slachtoffers van seksueel geweld - Prevalentie

17 belangrijke vragen over Holistische zorg voor slachtoffers van seksueel geweld - Prevalentie

Wat is de prevalentie van seksueel geweld?

Volgens de WHO heeft 25,4% van de vrouwen en meisjes in Europa weleens seksueel e/of fysiek geweld door (ex)partners meegemaakt en 5,2% seksueel geweld door niet-partners.

Bij mannen is de prevalentie niet bekend.

Waardoor is de prevalentie voor seksueel geweld tegen mannen ondergerapporteerd?

Dit wordt volgens sommige onderzoekers verklaard door een aantal mythen, stereotypen en ongegronde overtuigingen over mannelijke seksualiteit.
Andere onderzoekers noemen het grote stigma voor mannelijke slachtoffers, ontkenning, gebrek aan aangepaste hulpverlening voor mannelijke slachtoffers en minder mogelijkheden voor wettelijke procedures.

Welke groepen zijn extra vatbaar voor seksueel geweld?

- Vluchtelingen, asielzoekers en mensen zonder wettig verblijf
  • Hogere cijfers + sneller leren
  • Niets twee keer studeren
  • 100% zeker alles onthouden
Ontdek Study Smart

Is er een verband tussen delictondersteunende attitudes en seksuele recidive?

In een metaanalyse van Helmus (2010), kwam een bescheiden maar significante samenhang naar voren tussen delict ondersteunende attitudes en seksuele recidive. Onderzoek heeft nog niet kunnen laten zien dat verandering in attitudes die seksueel delictgedrag ondersteunen leidt tot lagere recidiverisico’s (Helmus, persoonlijke mededeling, 17 januari 2012). Dat kan veroorzaakt worden doordat verandering in attitudes moeilijk betrouwbaar vast te stellen is (Gannon & Polaschek, 2006). Maar de vraag of de cognities een oorzakelijke of beïnvloedende of louter geassocieerde rol hebben, blijft gerechtvaardigd.

Wat zegt opwinding n.a.v. Deviante seksuele prikkels?

Het vertonen van enige opwinding bij deviante seksuele prikkels lijkt vrij ‘gewoon’ te zijn. De mate van die opwinding, die als reflectie van de seksuele interesse kan worden beschouwd, verschilt echter wel sterk tussen personen en per context. Het is die mate van interesse die belangrijk is voor seksueel delictgedrag, zeker wanneer sprake is van een (exclusieve) voorkeur voor deviant seksueel gedrag. In de literatuur worden met enige regelmaat drie etiologische routes beschreven naar het ontstaan van deviante interesses/voorkeuren: eigen misbruik in de jeugd, (neuro)biologische afwijkingen en deviante conditionering (Blanchard, Cantor & Robichaud, 2006).

Wat is de rol van hyperseksualiteit bij recidive bij zedendelinquenten?

Bij iemand met een sterke emotionele reactie of een breed scala aan competente stimuli of een combinatie van beide kan dit zich uiten als hyperseksualiteit: overmatig seksueel verlangen en gedrag. Hyperseksualiteit is een belangrijke voorspeller voor seksuele recidive bij zedendelinquenten (Hanson & Morton-Bourgon, 2007).

Wat is seksuele coping? En waarom vormt het een risico?

De term seksuele coping verwijst naar het overmatig/dwangmatig gebruiken van seks, meestal masturbatie als middel tot coping met negatieve emoties (Cortoni & Marshall, 2001). Het emotionele systeem is niet alleen langs verschillende routes te activeren (angst, woede, opwinding) maar ook via verschillende routes te reguleren. Seksuele bevrediging kan zich ontwikkelen tot een eenzijdige manier om allerlei negatieve emoties het hoofd te bieden. Hoewel seksuele coping vaak wordt gezien als een kenmerk van hyperseksualiteit en daar nauw mee verweven lijkt, is seksuele coping ook te beschouwen als een afzonderlijke risicofactor naast hyperseksualiteit (Mann et al., 2010).

Welke rol speelt disinhibitie bij seksueel delictgedrag?

Disinhibitie met betrekking tot seksueel delictgedrag is onder te verdelen in drie categorieën: a) disinhibitie naar aanleiding van een toestand b) disinhibitie als persoonlijkheidstrek en c) disinhibitie als keuze. Elk van deze drie vormen van disinhibitie brengen duidelijke risico’s met zich mee met betrekking tot seksueel delictgedrag.
Bovendien komt de combinatie van twee of zelfs drie varianten regelmatig voor. Mensen die een antisociale persoonlijkheidsstoornis hebben, waarvan zowel antisocialiteit als impulsiviteit deel uit maken, hebben bijvoorbeeld acht keer zo vaak alcohol-, en elf keer zo vaak drugs problemen als mensen zonder die persoonlijkheidsstoornis (Compton, Conway, Stinson, Colliver & Grant, 2005).

Welke instrumenten zijn er voor vaststellen van hyperseksualiteit en seksuele coping?

In de klinische praktijk komen extreme gevallen van hyperseksualiteit wel aan het licht, maar de mogelijkheden met betrekking tot gestructureerde assessment zijn buitengewoon karig te noemen. Voor seksuele coping geldt hetzelfde.

Wat zijn de 'what works' principes? En wordt het model gebruikt in het forensisch veld?

In 1990 werd het Risk-Need-Responsivity model (RNR-model) ontwikkeld (Andrews, Bonta, & Hoge, 1990). Het model is empirisch goed onderbouwd en richt zich primair op risicomanagement (Andrews & Bonta, 2010; Ward, Melser, & Yates, 2007). De basisprincipes van het -model bestaan eruit dat interventies gestructureerd moeten worden volgens drie belangrijke rehabilitatieprincipes: risico (risk), behoefte (need) en responsiviteit (responsivity). Later werd hier het principe van behandelintegriteit (integrity) aan toegevoegd (Lipsey, 1995). Dit model, ook wel aangeduid als de ‘what works’ principes heeft zich ontwikkeld tot het meest toonaangevende model in het forensisch veld.

Wat verstaan we onder het behoefteprincipe in het RNR-model?

Het behoefteprincipe benadrukt dat de behandeling moet worden gericht op de dynamische risicofactoren van de plegers. Behandeling wordt gericht op de dynamische factoren omdat deze beïnvloedbaar zijn en op de risicofactoren omdat juist die aspecten behandeld moeten worden die het delictgedrag beslissend beïnvloeden (de criminogene factoren). Idealiter geven dynamische risicofactoren dus niet alleen informatie over het risico van delictgedrag, maar geven ze ook richting aan de wijze waarop het risico gereduceerd kan worden (Hanson & Morton-Bourgon, 2007).

Welke therapie komt consistent als beste behandelmethode voor zedendelinquenten naar voren?

Cognitieve gedragstherapie komt consistent als beste behandelmethode voor zedendelinquenten naar voren (Beech & Fisher, 2004; Lipsey, 1995; Vennard, Hedderman, & Sugg, 1997).

Welke therapeutische houding bleek het meest effectief om verandering in de ernst te bevorderen (psychopaten daargelaten)?

Een ondersteunende, belonende en richtinggevende benadering waarin de zelfwaardering van de patiënt kan toenemen zonder dat aan de ernst van de delicten voorbij wordt gegaan, bleek als therapeutische houding het meest effectief om verandering in de patiënten te bevorderen (Marshall, Serran & Fernandez, 2003). Bij patiënten met duidelijk psychopathische kenmerken is deze houding echter niet aan te bevelen. Deze patiënten zullen de therapeut zodanig proberen te misleiden dat zij zelf niet hoeven te veranderen. Bij hen voldoet een neutrale zakelijke houding beter (Wong & Hare, 2005).

Hoe kunnen we de integriteit van een behandelprogramma waarborgen?

De integriteit van een behandelprogramma kan worden gewaarborgd door zorg te dragen voor een gedegen theoretische onderbouwing en een uitgebreid protocol over wat er in het programma hoe en wanneer moet gebeuren.

Wat zou de effectiviteit van behandelen in NL verhogen?

Standaardgebruik van gestructureerde risicotaxatie kan daar verbetering in aanbrengen. Assessment van de relevante dynamische risicofactoren door middel van empirisch gevalideerde instrumenten voor-, tijdens- en na de behandeling is in Nederland nog niet standaard en kan een bijdrage leveren aan een betere focus op de need-factoren in de behandeling. Naast de effectiviteit, zou dit ook de efficiëntie van de behandeling ten goede kunnen komen, leidend tot een kortere behandelduur.

Is harder beter? Als het gaat om behandeling van zedendelinquenten?

De bejegening van forensische patiënten is in Nederlandse gespecialiseerde forensische instellingen doorgaans gunstig: sturend maar ook steunend, waarbij niet de persoon maar het delictgedrag veroordeeld wordt. Maar in het harder wordende politieke klimaat komt de forensische psychiatrie steeds meer onder druk te staan. Beoogde maatregelen als levenslang toezicht, openbare registratie of dwangmedicatie voor alle zedendelinquenten spreken de kiezer misschien aan, maar ondermijnen de responsiviteit en zullen waarschijnlijk eerder tot verslechtering dan tot verbetering van de behandelresultaten leiden.

Werkt verplichte registratie en het opleggen van woonrestricties?

Uit onderzoek komt naar voren dat het beschermend effect van verplichte registratie en het opleggen van woonrestricties nihil is en zelfs averechts kan werken (Agan, 2011; Prescott & Rockoff, 2011). Dat heeft vermoedelijk te maken met de negatieve invloed van dergelijke maatregelen op werk, wonen en netwerk van de zedendelinquenten en de toename van uitstoting en eenzaamheid (Lasher & McGrath, 2012). Dit zijn factoren die het recidiverisico negatief beïnvloeden (Levenson, 2008). Daarnaast zijn de registratiesystemen erg duur en bewerkelijk vanwege het snel groeiende aantal mensen dat geregistreerd moet worden.

De vragen op deze pagina komen uit de samenvatting van het volgende studiemateriaal:

  • Een unieke studie- en oefentool
  • Nooit meer iets twee keer studeren
  • Haal de cijfers waar je op hoopt
  • 100% zeker alles onthouden
Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.
Trustpilot-logo