Deeltoets verdunnen

6 belangrijke vragen over Deeltoets verdunnen


In de voorraadkast op de afdeling staat een fles met oplossing met een sterkte van 100 %. Voor gebruik heb je 200 ml nodig met een sterkte van 30%.
a. Hoeveel ml van de oplossing neem je van de voorraad?
b. Hoeveel ml water voeg je toe?
  • a. 60 ml b. 140 ml
  • a. 140 ml b. 60 ml
  • a. 80 ml b. 120 ml
  • a. 120 ml b. 80 ml

Uitwerking:
a. Hoeveel ml van de oplossing neem je van de voorraad?
Voorschrift: 30 x 200 = 6.000
Aanwezig: 100
V : A 6.000 : 100 = 60 ml

b. Hoeveel ml water voeg je toe?
200 – 60 = 140 ml


Op de afdeling is een oplossing met een sterkte van 50% aanwezig. Je wordt gevraagd om deze te verdunnen voor gebruik. Gevraagd: 3 mondspoelingen, van 120 ml per glas, met een sterkte van 5%.
a. Hoeveel ml neem je van de voorraad om alle 3 de mondspoelingen te maken?
b. Met hoeveel ml vul je het geheel aan?
  • a: 36 ml b: 324 ml
  • a: 12 ml b: 108 ml
  • a: 50 ml b: 310 ml
  • a. 5 ml b: 115 ml

A: Voorschrift: (3 x 120 = 360 ml)
360 x 5 = 1.800
Aanwezig: 50
V : A 1.800 : 50 = 36 ml
B: 360 – 36 = 324 ml


Op de afdeling is een oplossing met een sterkte van 40% aanwezig. Je wordt gevraagd om deze te verdunnen voor gebruik. Gevraagd 2 mondspoelingen, van 200 ml per glas, met een sterkte van 5%.
a. Hoeveel ml neem je van de voorraad om alle 2 de mondspoelingen te maken?
b. Met hoeveel ml vul je het geheel aan?
  • a. 25 ml b. 175 ml
  • a. 175 ml b. 25 ml
  • a. 50 ml b. 350 ml
  • a. 350 ml b. 50 ml

Uitwerking:
a. Hoeveel ml neem je van de voorraad om alle 2 de mondspoelingen te maken?
Voorschrift: (2 x 200 = 400 ml) 400 x 5 = 2.000
Aanwezig: 40
V : A 2.000 : 40 = 50 ml
b. Met hoeveel ml vul je het geheel aan?
400 – 50 = 350 ml
  • Hogere cijfers + sneller leren
  • Niets twee keer studeren
  • 100% zeker alles onthouden
Ontdek Study Smart


In de steriele dienst op een afdeling heb je een  zoutoplossing met een sterkte van 40% aanwezig. Een zorgvrager moet in een zoutbad met zijn vinger. Hiervoor heb je 500 milliliter zoutoplossing nodig met een sterkte van 30%.
a. Hoeveel ml zoutoplossing van de voorraad neem je?
b. Hoeveel ml water voeg je toe?
  • a: 375 ml b. 125 ml
  • a: 125 ml b. 375 ml
  • a: 100 ml b. 400 ml
  • a. 400 ml b. 100 ml

Uitwerking:
a. Hoeveel ml zoutoplossing van de voorraad neem je?
Voorschrift: 30 x 500 15.000
Aanwezig: 40
V:A 15.000 : 40 = 375 ml
b. Hoeveel ml water voeg je toe?
500 – 375 = 125 ml


Er wordt gevraagd om een pure oplossing in een sterkte van 100% te verdunnen tot 25%. Het eindproduct moet 50 ml in totaal zijn.
a. Hoeveel ml neem je van de voorraad?
b. Met hoeveel ml vul je het geheel aan?
  • a. 10 ml b. 40 ml
  • a. 40 ml b. 10 ml
  • a. 12,5 ml b. 37,5 ml
  • a. 37,5 ml b. 12,5 ml

Uitwerking:
a. Hoeveel ml neem je van de voorraad?
Voorschrift: 50 x 25 = 1.250
Aanwezig: 100
V : A 1.250 : 100 = 12,5 ml
b. Met hoeveel ml vul je het geheel aan?
50 – 12,5 = 37,5 ml


Voor het reinigen van scharen moet je oplossing met een sterkte van 80% hebben. In voorraad staat een pure oplossing van 100%. Je hebt een oplossing van in totaal 300 ml nodig.
a. Hoeveel ml heb je nodig van de voorraad?
b. Hoeveel ml water voeg je toe?
  • a. 60 ml b. 240 ml
  • a. 240 ml b. 60 ml
  • a. 220 ml b. 80 ml
  • a. 80 ml b. 220 ml

Uitwerking:
a. Hoeveel ml heb je nodig van de voorraad?
Voorschrift: 80 x 300 = 24.000
Aanwezig: 100 =
V : A 24.000 : 100 = 240 ml
b. Hoeveel ml water voeg je toe?
300 – 240 = 60 ml water

De vragen op deze pagina komen uit de samenvatting van het volgende studiemateriaal:

  • Een unieke studie- en oefentool
  • Nooit meer iets twee keer studeren
  • Haal de cijfers waar je op hoopt
  • 100% zeker alles onthouden
Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.
Trustpilot-logo