Samenvatting: Radiologie
- Deze + 400k samenvattingen
- Een unieke studie- en oefentool
- Nooit meer iets twee keer studeren
- Haal de cijfers waar je op hoopt
- 100% zeker alles onthouden
Lees hier de samenvatting en de meest belangrijke oefenvragen van Radiologie
-
1 Röntgenologie
-
1.1 Röntgenstraling
Dit is een preview. Er zijn 12 andere flashcards beschikbaar voor hoofdstuk 1.1
Laat hier meer flashcards zien -
Afhankelijk van welke eigenschappen van de materie kunnen de stralen worden doorgelaten?
- de dikte van het object
- hetatoomnummer van dematerie waaruit het object bestaat
- dedichtheid van dematerie ( hoe hoger dedichtheid , hoe meer stralinggeabsorbeerd wordt ) -
Wat is harde en zachte straling?
Hoge en lageenergetische waarde van straling. Harde straling komt door meer kV -
Wat zijn de schadelijke effecten van rontgenstraling
- Groeibelemmering van weefsel
- Verwoesting van het epitheel
- opwekken van ontstekingen
- beschadigen van genen -
Wat wordt bedoelt met divergerende stralenbundel
DRöntgenstralen verlaten de rongenbuis via het venster als een divergerende, een uiteenlopende stralenbundel. Deze stralenbundel wordt hierbij niet afgebogen. De stralenbundel die de tafel raakt is daarom veel wijder dan de bundel die het venster verlaat. We maken dankbaar gebruik van de eigenschappen van rontenstralen, hoewel ze vooral minder gunstige effecten bezitten. -
Stralen worden door eigenschap van materie doorgelaten. Wat kan het verschil nog meer maken?
Verschillen in dichtheid en het gemiddelde atoomnummer van de verscheidene weefsels in een lichaamsdeel zorgen ervoor dat er een bepaalde hoeveelheid stralen wel en bepaalde niet doorgelaten worden. Het deel wat doorgelaten word komt op een lichtgevoelige plaat. Het deel wat niet doorgelaten word en dus geabsorbeerd wordt door weefsel komt niet of minder terecht op deze plaat. Er ontstaat een afbeelding. -
Wat voor golflengte wordt er gebruikt in de rontgendiagnostiek?
Golven die zicht voortplanten met een golflengte van circa 0.5 tot 0.001 nm -
1.2 Conventionele Radiologie
Dit is een preview. Er zijn 14 andere flashcards beschikbaar voor hoofdstuk 1.2
Laat hier meer flashcards zien -
Wat moet je toevoegen bij iedere cm meer of minder weefsel?
Bij meer weefsel 5% kv meer OF 25% mAs meer.
Bij minder weefsel 5% kv minder OF 25% mAs minder. -
Rontgenbuizen hebben een vaste of een draaiende anode. Leg uit
Bij een draaiende anode botsen de elektronen telkens op een ander deel van de wolframspiraal. Hierdoor wordt dit wolfram minder snel te warm. Apparaten met een draaiende anode kunnen daardoor een hogere vermogen bevatten dan röntgenapparatuur met een vaste anode. -
Waar staat de eenheid kV voor
Kilovolt. 1 kV is gelijk aan 1000 volt. -
Waarmee word spanning verschil kathode- anode ingesteld?
Het spanningsverschil tussen kathode en anode wordt met de kV schakelaar ingesteld. Hoe groter het spanningsverschil, hoe groter de snelheid waarmee de elektronen tegen de anode botsen.
- Hogere cijfers + sneller leren
- Niets twee keer studeren
- 100% zeker alles onthouden















