Samenvatting: Thema 2 - Juiste

Studiemateriaal generieke omslagafbeelding
  • Deze + 400k samenvattingen
  • Een unieke studie- en oefentool
  • Nooit meer iets twee keer studeren
  • Haal de cijfers waar je op hoopt
  • 100% zeker alles onthouden
LET OP!!! Er zijn slechts 88 flashcards en notities beschikbaar voor dit materiaal. Deze samenvatting is mogelijk niet volledig. Zoek a.u.b. soortgelijke of andere samenvattingen.
Gebruik deze samenvatting
Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.
Trustpilot-logo

Lees hier de samenvatting en de meest belangrijke oefenvragen van Thema 2 - JUISTE

  • 1 Thema 2.1 - Wat zijn psychofarmaca?

    Dit is een preview. Er zijn 12 andere flashcards beschikbaar voor hoofdstuk 1
    Laat hier meer flashcards zien

  • Toediening van medicatie/genotsmiddelen

    Toedieningsvormen: snelheid van opname. De snelheid van opname varieert sterk afhankelijk van de methode:
    • 1. Intraveneus (in de bloedbaan)
      • Snelste methode
      • Directe opname in het bloed
      • Onmiddellijk effect
    • 2. Roken/inhaleren
      • Zeer snel
      • Via de longen
      • Snelle absorptie
    • 3. Snuiven via de neus
      • Snelle manier
      • Bloedspiegel snel laten stijgen
    • 4. Oraal (via de mond)
      • Traag
      • Moet door maag en darmen
      • Veel van het werkzame bestanddeel wordt afgebroken
    • 4. Huid
      • Zeer traag
      • Pas na ongeveer 5-6 uur piekwaarde in het bloed
  • 2 Thema 2.2 - Neurotransmissie

  • 2.1 Thema 2.2 - goede volgorde

    Dit is een preview. Er zijn 33 andere flashcards beschikbaar voor hoofdstuk 2.1
    Laat hier meer flashcards zien

  • Aangrijpingspunten voor psychofarmaca - heropnametransporters en autoreceptoren

    Heropnametransporters
    • Bevinden zich op het presynaptische uiteinde
    • Transporteren neurotransmitters terug in de cel
    • Voorbeelden van remming:
      • Cocaïne en methylfenidaat- remt dopamine heropname
      • Prozac - remt serotonine heropname
    Autoreceptoren
    • Bevinden zich buiten de synaps
    • Activeren een negatief feedbackmechanisme
    • Verminderen neurotransmitter afgifte wanneer teveel aanwezig
  • Iontrope receptoren (directe en snelle actie)

    • Wanneer een neurotransmitter of medicijn bindt aan een ionotrope receptor, opent het direct een ionkanaal. Hierdoor kunnen geladen deeltjes (ionen) zoals natrium (Na+) of chloride (CI-) de cel in- of uitstromen, wat de elektrische spanning van de cel verandert. Dit leidt tot een zeer snelle reactie, vaak binnen milliseconden
    • Effect: Verandering van de membraanpotentiaal, wat kan leiden tot excitatie (stimulatie) of inhibitie (remming) van de zenuwcel
    • Voorbeelden:
      • Nicotine-acetylcholinereceptor + AMPA-glutamaatreceptor: Opent natriumkanalen en veroorzaakt depolarisatie (stimulerend)
      • GABAa-receptor: Opent chloridekanalen en veroorzaakt hyperpolarisatie (remmend)
  • Aangrijpingspunten voor psychofarmaca - deactiveringsmechanismen

    • Binnen de cel
      • Enzymen zoals Monoamine-oxydase-A (MAO-A)
      • Breken neurotransmitters direct af
    • Buiten de cel
      • Enzymen zoals Acetylcholine-esterase
      • Remmen neurotransmitteractiviteit
  • Duidelijk maken wat receptoren zijn, welke soorten receptoren er bestaan en hoe medicatie werkt op receptoren

    • Receptoren zijn eiwitten op of in een celmembraan die zich binden aan specifieke stoffen (zoals neurotransmitters of medicijnen) en zo een signaal doorgeven.
    Er zijn verschillende soorten receptoren:
    • Ionotrope receptoren: directe, snelle werking. Binding leidt tot openen van een ionkanaal. Voorbeelden zijn:
      • Nicotine-acetylcholinereceptor (stimuleert Na+-instroom)
      • GABAa-receptor (stimuleert Cl−-instroom, remmend)
      • AMPA-glutamaatreceptor (stimuleert Na+-instroom, stimulerend)
    • Metabotrope (indirecte) receptoren: langzamere werking, beïnvloeden interne cel processen via signaalroutes en tweede boodschappers.
    • Allosterische receptoren: beïnvloeden de gevoeligheid van de hoofdreceptor. Medicatie zoals diazepam bindt hieraan en versterkt het effect van de hoofdneurotransmitter.
  • Hoe werkt medicatie op receptoren?

    Medicatie kan:
    • Binden aan receptoren met hoge affiniteit (sterke binding).
    • De receptor activeren (agonist) of juist blokkeren (antagonist).
    • De effectiviteit van binding beïnvloeden (receptordoelmatigheid), wat bepaalt of het signaal daadwerkelijk wordt doorgegeven.
      • Sommige medicijnen bootsen endogene liganden na, stoffen die het lichaam zelf aanmaakt en binden aan receptoren, zoals anandamide bij de cannabioïdereceptor.
  • 3 Thema 2.3 - Principes van psychofarmacologie

    Dit is een preview. Er zijn 20 andere flashcards beschikbaar voor hoofdstuk 3
    Laat hier meer flashcards zien

  • Beoordeel of onderstaande stellingen juist of onjuist zijn. Stelling 1: De tijd die het kost om een impuls te controleren neemt af met toenemende dosering.Stelling 2: Volwassenen zijn van zichzelf al veel sneller in impulscontrole dan kinderen.Stelling 3: Bij kinderen is er een groter effect van methylfenidaat te zien dan bij volwassenen.Stelling 4: Bij een dosis van 0,4 mg/kg is er bij volwassenen een maximaal effect bereikt.

    • Stelling 1 is juist.
    • Stelling 2 is juist.
    • Stelling 3 is juist.
    • Stelling 4 is onjuist. Het maximale effect is pas bereikt als de dosis-responsecurve volledig horizontaal verloopt.
  • Wat houdt farmacodynamische tolerantie in?

    Farmacodynamische tolerantie kan ontstaan bij langdurig gebruik van een agonist wat zorgt voor een vermindering van het aantal receptoren voor het werkzame bestanddeel in het middel (down regulation). Hierdoor is een hogere dosering van de agonist nodig om te compenseren voor het lagere aantal receptoren en om dus hetzelfde effect te bereiken.
  • Wat houdt supersensitivity in en hoe kan dit optreden bij gebruik van een antagonist?

    • Bij langdurige gebruik van een antagonist is er eigenlijk sprake van het tegenovergestelde van farmacodynamische tolerantie en zien we juist een toename van het aantal receptoren (up regulation). 
    • Een antagonist voorkomt dat een agonist kan binden aan een receptor, en het lichaam reageert hierop door het aanmaken van meer receptoren
    • Als vervolgens een agonist wordt aangeboden, dan zorgt de overvloed aan receptoren voor overgevoeligheid (supersensitivity), waardoor dezelfde hoeveelheid agonist een veel groter effect heeft dan normaal.
  • Welke conclusie kun je op basis van deze grafiek trekken over stof X? Welke stelling is juist?Deze stof is behoorlijk potent en weinig doelmatig.Deze stof is behoorlijk doelmatig en weinig potent.Deze stof is behoorlijk potent en doelmatig.Deze stof is weinig potent en doelmatig.

    • Stelling 1 is juist
LET OP!!! Er zijn slechts 88 flashcards en notities beschikbaar voor dit materiaal. Deze samenvatting is mogelijk niet volledig. Zoek a.u.b. soortgelijke of andere samenvattingen.

Om verder te lezen, klik hier:

Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting +380.000 andere samenvattingen Een unieke studietool Een oefentool voor deze samenvatting Studiecoaching met filmpjes
  • Hogere cijfers + sneller leren
  • Niets twee keer studeren
  • 100% zeker alles onthouden
Ontdek Study Smart

Onderwerpen gerelateerd aan Samenvatting: Thema 2 - Juiste