Samenvatting: Thema 2 - Juiste
- Deze + 400k samenvattingen
- Een unieke studie- en oefentool
- Nooit meer iets twee keer studeren
- Haal de cijfers waar je op hoopt
- 100% zeker alles onthouden
Lees hier de samenvatting en de meest belangrijke oefenvragen van Thema 2 - JUISTE
-
1 Thema 2.1 - Wat zijn psychofarmaca?
Dit is een preview. Er zijn 12 andere flashcards beschikbaar voor hoofdstuk 1
Laat hier meer flashcards zien -
Toediening van medicatie/genotsmiddelen
Toedieningsvormen :snelheid vanopname . Desnelheid vanopname varieert sterk afhankelijk van de methode:- 1.
Intraveneus (in de bloedbaan) - Snelste methode
- Directe
opname in het bloed - Onmiddellijk effect
- 2.
Roken /inhaleren - Zeer snel
- Via de longen
- Snelle absorptie
- 3. Snuiven via de neus
- Snelle manier
- Bloedspiegel snel laten stijgen
- 4.
Oraal (via de mond) - Traag
- Moet door maag en darmen
- Veel van het werkzame bestanddeel wordt afgebroken
- 4. Huid
- Zeer traag
- Pas na ongeveer 5-6 uur piekwaarde in het bloed
- 1.
-
2 Thema 2.2 - Neurotransmissie
-
2.1 Thema 2.2 - goede volgorde
Dit is een preview. Er zijn 33 andere flashcards beschikbaar voor hoofdstuk 2.1
Laat hier meer flashcards zien -
Aangrijpingspunten voor psychofarmaca - heropnametransporters en autoreceptoren
Heropnametransporters- Bevinden zich op het presynaptische uiteinde
- Transporteren neurotransmitters terug in de cel
- Voorbeelden van remming:
- Cocaïne en methylfenidaat- remt dopamine heropname
- Prozac - remt serotonine heropname
- Bevinden zich buiten de synaps
- Activeren een negatief feedbackmechanisme
- Verminderen neurotransmitter afgifte wanneer teveel aanwezig
- Bevinden zich op het presynaptische uiteinde
-
Iontrope receptoren (directe en snelle actie)
- Wanneer een
neurotransmitter ofmedicijn bindt aan eenionotrope receptor, opent het direct eenionkanaal . Hierdoor kunnengeladen deeltjes (ionen) zoalsnatrium (Na+) ofchloride (CI-) de cel in- of uitstromen, wat deelektrische spanning van de cel verandert. Dit leidt tot een zeer snelle reactie, vaak binnen milliseconden - Effect: Verandering van de
membraanpotentiaal , wat kan leiden totexcitatie (stimulatie ) ofinhibitie (remming ) van dezenuwcel - Voorbeelden:
- Nicotine-acetylcholinereceptor + AMPA-glutamaatreceptor: Opent natriumkanalen en veroorzaakt
depolarisatie (stimulerend) - GABAa-receptor: Opent chloridekanalen en veroorzaakt
hyperpolarisatie (remmend)
- Wanneer een
-
Aangrijpingspunten voor psychofarmaca - deactiveringsmechanismen
- Binnen de cel
- Enzymen zoals Monoamine-oxydase-A (MAO-A)
- Breken neurotransmitters direct af
- Buiten de cel
- Enzymen zoals Acetylcholine-esterase
- Remmen neurotransmitteractiviteit
- Binnen de cel
-
Duidelijk maken wat receptoren zijn, welke soorten receptoren er bestaan en hoe medicatie werkt op receptoren
- Receptoren zijn eiwitten op of in een celmembraan die zich binden aan specifieke stoffen (zoals neurotransmitters of medicijnen) en zo een signaal doorgeven.
- Ionotrope receptoren: directe, snelle werking. Binding leidt tot openen van een ionkanaal. Voorbeelden zijn:
- Nicotine-acetylcholinereceptor (stimuleert Na+-instroom)
- GABAa-receptor (stimuleert Cl−-instroom, remmend)
- AMPA-glutamaatreceptor (stimuleert Na+-instroom, stimulerend)
- Metabotrope (indirecte) receptoren: langzamere werking, beïnvloeden interne cel processen via signaalroutes en tweede boodschappers.
- Allosterische receptoren: beïnvloeden de gevoeligheid van de hoofdreceptor. Medicatie zoals diazepam bindt hieraan en versterkt het effect van de hoofdneurotransmitter.
- Receptoren zijn eiwitten op of in een celmembraan die zich binden aan specifieke stoffen (zoals neurotransmitters of medicijnen) en zo een signaal doorgeven.
-
Hoe werkt medicatie op receptoren?
Medicatie kan:- Binden aan receptoren met hoge affiniteit (sterke binding).
- De receptor activeren (agonist) of juist blokkeren (antagonist).
- De effectiviteit van binding beïnvloeden (receptordoelmatigheid), wat bepaalt of het signaal daadwerkelijk wordt doorgegeven.
- Sommige medicijnen bootsen endogene liganden na, stoffen die het lichaam zelf aanmaakt en binden aan receptoren, zoals anandamide bij de cannabioïdereceptor.
- Binden aan receptoren met hoge affiniteit (sterke binding).
-
3 Thema 2.3 - Principes van psychofarmacologie
Dit is een preview. Er zijn 20 andere flashcards beschikbaar voor hoofdstuk 3
Laat hier meer flashcards zien -
Beoordeel of onderstaande stellingen juist of onjuist zijn. Stelling 1: De tijd die het kost om een impuls te controleren neemt af met toenemende dosering.Stelling 2: Volwassenen zijn van zichzelf al veel sneller in impulscontrole dan kinderen.Stelling 3: Bij kinderen is er een groter effect van methylfenidaat te zien dan bij volwassenen.Stelling 4: Bij een dosis van 0,4 mg/kg is er bij volwassenen een maximaal effect bereikt.
- Stelling 1 is juist.
- Stelling 2 is juist.
- Stelling 3 is juist.
- Stelling 4 is onjuist. Het maximale effect is pas bereikt als de dosis-responsecurve volledig horizontaal verloopt.
-
Wat houdt farmacodynamische tolerantie in?
Farmacodynamische tolerantie kan ontstaan bij langdurig gebruik van een agonist wat zorgt voor een vermindering van het aantal receptoren voor het werkzame bestanddeel in het middel (down regulation). Hierdoor is een hogere dosering van de agonist nodig om te compenseren voor het lagere aantal receptoren en om dus hetzelfde effect te bereiken. -
Wat houdt supersensitivity in en hoe kan dit optreden bij gebruik van een antagonist?
- Bij langdurige gebruik van een
antagonist is er eigenlijk sprake van het tegenovergestelde vanfarmacodynamische tolerantie en zien we juist een toename van het aantalreceptoren (up regulation). - Een
antagonist voorkomt dat eenagonist kanbinden aan een receptor, en het lichaam reageert hierop door hetaanmaken van meerreceptoren . - Als vervolgens een
agonist wordt aangeboden, dan zorgt deovervloed aanreceptoren voor overgevoeligheid (supersensitivity ), waardoor dezelfde hoeveelheidagonist een veel groter effect heeft dan normaal.
- Bij langdurige gebruik van een
-
Welke conclusie kun je op basis van deze grafiek trekken over stof X? Welke stelling is juist?Deze stof is behoorlijk potent en weinig doelmatig.Deze stof is behoorlijk doelmatig en weinig potent.Deze stof is behoorlijk potent en doelmatig.Deze stof is weinig potent en doelmatig.
- Stelling 1 is juist
- Hogere cijfers + sneller leren
- Niets twee keer studeren
- 100% zeker alles onthouden















