Animal Assisted Interventions

31 belangrijke vragen over Animal Assisted Interventions

Welke effecten van een dier op een kind met autisme noemt dr. Bennett?

De communicatie kan toenemen. Kinderen kunnen beter stil zitten en zijn kalmer.

Welke drie aspecten van welzijn worden genoemd op het Dierenwelzijnweb?


  • gezondheid (lichamelijke of fysieke gesteldheid)
  • gevoel en emotie
  • natuurlijk gedrag

Voorbeelden van doelgroepen / toepassingen waar AAI ingezet kan worden:

  • kinderen met emotionele aandoeningen
  • coachen van jongeren of volwassenen met paarden of honden
  • ouderen in verzorgingstehuizen
  • leerlingen in het basisonderwijs
  • volwassenen met psychische aandoeningen
  • kinderen met ziekte en/of pijn in ziekenhuizen
  • volwassenen met schizofrenie
  • patiënten met hartproblemen
  • kinderen met ontwikkelingsachterstand en/of leerproblemen
  • kinderen met motorische problemen
  • mensen in een gevangenis of een huis van bewaring
  • getraumatiseerde mensen (PTSS), onder wie veteranen
  • mensen met een depressie
  • mensen met kanker en die chemotherapie ondergaan
  • mensen met bepaalde angsten
  • kinderen met autisme
  • volwassenen met autisme
  • cliënten van zorgboerderijen
  • slachtoffers van geweld en/of misbruik
  • eenzame ouderen
  • Hogere cijfers + sneller leren
  • Niets twee keer studeren
  • 100% zeker alles onthouden
Ontdek Study Smart

Dr. Verheggen gaat in op de bijdrage die het dier levert aan de therapie en koppelt hier een aantal mechanismen of theorieën aan. Hij noemt bijvoorbeeld dat dieren kunnen zorgen voor meer therapietrouw, meer vertrouwen kunnen scheppen, een behoefte aan warmte kunnen vervullen en de stressrespons kunnen beïnvloeden. Op één theorie gaat hij wat uitgebreider in. 

De hechtingstheorie
De band die een kind met zijn of haar moeder (of primaire verzorger) heeft, vormt de basis voor zijn of haar hechtingsstijl. Een onveilige hechting resulteert veelal in een destructief patroon van onveilige hechtinspatronen wat erg moeilijk te doorbreken is. Een onveilig gehecht kind lijkt echter met een dier wel een veilige hechting aan te kunnen gaan; de onveilige hechting wordt niet overgedragen op de relatie met het dier. Dit wordt gereflecteerd in de verhoging van de oxytocinespiegel wanneer het dier wordt geaaid.

Dr. Verheggen noemt in zijn college een belangrijke uitdaging voor onderzoek naar de effectiviteit van AAT. Welke is dit?

Er zijn nog te weinig randomized controlled trials gedaan. RCT zijn studies waarbij mensen willekeurig worden toegewezen aan een AAT-groep of de controlegroep die een andere vorm van therapie ontvangt).
De uitdaging is dat het bij de kwetsbare groepen waarvoor AAT per definitie wordt ingezet moeilijk is een homogene sample samen te stellen. Het risico op uitval is bovendien groot.

De uitdagingen in zowel theoretisch als praktisch opzicht voor onderzoek naar (de effectiviteit van) AAT kwam u eerder al tegen in het artikel van Serpell  et al. (2017). Herhaal kort deze theoretische en praktische uitdagingen.

  • het ontbreken van een verklarende theorie, vooral over wat AAI onderscheidt van andere therapieën.
  • Sommige theorieën lijken plausibel voor huisdierbezit, maar het is de vraag of dat ook voor AAI geldt, omdat er geen langetermijnrelatie tussen dier en cliënt is.
  • studie-ontwerp en -methodologie: slechte onderzoeksvragen, kleine onderzoekspopulatie, niet-gerandomiseerde condities, niet-gestandaardiseerde metingen en procedures, geen controlegroep, bias door verwachtingen onderzoeker, geen langetermijn follow-up
  • de heterogeniteit van zowel cliënten als dieren

Welke vooruitgang brachten Maujean et al in kaart?

Maujean en collega’s doorzochten de wetenschappelijke literatuur over AAI, gepubliceerd tussen 2008 en 2012. Zij includeerden uiteindelijk zeven studies. In deze vijf jaar waren er dus zeven studies gedaan die een voldoende mate van methodologische rigor hadden en keken naar psychosociale uitkomsten. We boeken dus vooruitgang (in de periode van 1973 - 2004 waarover Nimer & Lundahl hun review deden, was dit er één).

Nimer en Lundahl gebruiken vier uitkomstcategorieën. Geef aan welke categorieën dit zijn, in welke categorieën een effect wordt gevonden en hoe groot dit effect (gemiddeld) is.

De afhankelijke variabelen die gebruikt werden in de originele studies werden georganiseerd in vier categorieën.
  1. symptomen van het autismespectrum: hier wordt een groot effect gevonden (d=0.72)
  2. medische problemen: hier wordt een middelgroot effect gevonden (d=0.59)
  3. gedragsproblemen: hier wordt eveneens een middelgroot effect gevonden (d=0.51)
  4. emotioneel welbevinden: hier wordt een laag tot middelgroot effect gevonden (d=0.39)
Nimer en Lundahl concluderen hieruit dat er over het geheel genomen positieve, matig sterke effecten worden gevonden van AAT.

Wat zeggen Nimer & Lundahl over AAT bij mensen met een beperking?

Uit onderzoek blijkt dat niet-gehandicapte individuen sterkere en betrouwbaardere voordelen ervaren van AAT op het gebied van welzijn en gedrag dan mensen met een handicap. Dit staat in contrast met de algemene overtuiging dat AAT vooral effectief is voor gehandicapten. Hoewel gehandicapten minder verbetering laten zien op welzijn en gedrag, tonen ze wel significant betere medische uitkomsten in vergelijking met niet-gehandicapten. Er is ook enige aanwijzing dat AAT in een individuele setting mogelijk effectiever is dan in groepsverband, vooral als het doel is om welzijn of medische resultaten te verbeteren.

Geef per geincludeerde studie van Maujean et al aan in welke doelgroep deze werd uitgevoerd, welke dieren werden gebruikt en naar welk concept werd gekeken als uitkomstmaat.



  • 1. Kinderen met autisme
    - Paarden
    - Sociaal functioneren
  • 2. Volwassenen met psychiatrische aandoeningen
    - Boerderijdieren
    - Self-efficacy, coping, kwaliteit van leven, depressie, angst
  • 3. Volwassenen met schizofrenie
    - Honden
    - Zelfwaardering, zelfdeterminatie, sociale steun, psychiatrische symptomen
  • 4. Kinderen met cerebrale parese
    - Paarden
    - Kwaliteit van leven, grove motoriek, algemene gezondheid
  • 5. Kankerpatiënten
    - Honden
    - Gemoedstoestand, zelfwaargenomen gezondheid, gevoel van coherentie
  • 6. Volwassenen met depressie
    - Koeien, paarden, katten, honden, konijnen
    - Depressie, angst, self-efficacy
  • 7. Volwassenen met schizofrenie
    - Honden
    - Psychiatrische symptomen, sociale competentie, kwaliteit van leven
  • Wat maakt de generalisatie van de uitkomsten van paardondersteunde interventies (EAI) op ASD zo lastig volgens het artikel?

    • Bij de onderzoeken zijn weinig cliënten gecontroleerd op de officiële diagnose ASD.
    • Participanten in dit onderzoek zijn vooral jongens en mannelijke adolescenten (tot 16 jaar).
    • De groep cliënten met ASD is erg heterogeen.
    • De interventies zelf zijn ook zeer divers.
    • De achtergronden en scholing van de aanbieders van de interventie verschillen enorm.
    • De terminologie is ook hier niet consistent en wordt beïnvloed door culturele en historische factoren.

    Welke vijf vormen van EAA met paarden worden bij autisme toegepast?

    • ‘Community-based’ therapeutische recreatie (CTR): dit programma bevat paardrijden of skiën en was recreatief van aard.
    • Paardondersteund leren (EFL): dit programma was gericht op het aanleren van sociale vaardigheden door grondwerkactiviteiten
    • Psycho-educatief paardrijden (PER): deze interventie is gericht op verbetering van de motorische vaardigheden en de cognitieve en emotionele ontwikkeling van kinderen met ASD en PDD.
    • Rijden voor mindervaliden (gehandicapten) (RDA): dit programma is erop gericht kinderen keuzemogelijkheden en controle te geven door paardrijden.
    • Therapeutisch rijden (TR): deze interventie komt het vaakst voor (of is de meestgebruikte term) en bevat een variatie aan interventies.

    De studies die onderzocht zijn in deze review gebruikten een breed scala aan uitkomstmaten. Deze maten zijn door O’Haire onderverdeeld in zeven categorieën waarop effecten zijn gevonden. Welke zeven categorieën zijn dit?

    1. depressie
    2. PTSS-symptomen
    3. angst
    4. sociaal functioneren
    5. slaap
    6. functioneren van het kind en
    7. kwaliteit van leven

    Welke vier vormen van EAT met paarden worden bij autisme toegepast?

    • Hippotherapie (HPOT): ook deze interventie is wat breder onderzocht en behelst een variatie aan interventies, gericht op bijvoorbeeld het maximaliseren van de band tussen kind en paard, verbetering van de motoriek (zoals houding, beweging of balans), verbetering van wilskracht en verandering van sociale attitude.
    • Korte termijn EAT (ST-EAT): deze interventie is gericht op verbetering van de motivatie, het zelfbeeld, de concentratie en de academische prestaties.
    • Ontwikkelingstimulerend paard rijden (SHDR): deze interventie was gericht op verbetering van de motoriek en de sensorische integratie.
    • Ongespecificeerde EAT (EAT-unspecified): deze interventie was gericht op verbetering van de grove motoriek.

    Hoe kun je de AAI-effecten op PTSS vanuit de algemene theorieën en modellen verklaren?

    Reductie in depressie kan gerelateerd zijn aan verhoging van positieve emoties en sociale betrokkenheid (social support, social capital). De verminderde PTSS-symptomen kunnen te maken hebben met een veranderde cognitieve toestand en stemming (attachment, social support, oxytocine). Veranderingen in opwinding en reactiviteit, als onderdeel van de reductie van PTSS-symptomen, kunnen komen door vermindering van angst en arousal door het fysieke contact met dieren (oxytocine), door afleiding en positieve aandacht.

    In de vorige vragen gingen we in op de tweede vraag die McDaniel Peters en Wood wilden beantwoorden met hun onderzoek, namelijk het beschrijven van de Equine Assisted Interventions. Ze hadden echter nog twee vragen. Vat kort samen welke conclusies ze trokken met betrekking tot vraag 1 en 3.

    1. Beschrijving van de doelgroep
    Hoewel de studies aangeven dat de deelnemers een autismespectrumstoornis hebben, is deze stoornis vaak niet bevestigd. De deelnemers waren vrijwel exclusief jongeren (kinderen en jongadolescenten, < 16 jaar) en van het mannelijk geslacht.
    3. Staat van het onderzoek
    Het wetenschappelijk onderzoek naar EAI bij ASD staat duidelijk nog in de kinderschoenen. Het gebruik van onderzoeksprotocollen is nodig om de interventies te standaardiseren en te verduidelijken. Ook moet de werkzaamheid van de interventies (verder) onderzocht worden.

    Ook in deze lezing komen naast de oxytocinehypothese weer de biofiliehypothese en de hechtingstheorie terug als verklarende theorieën voor de werking van AAE. Hoe verhouden deze drie theorieën zich tot het verbeteren van de executieve functies (essentieel als basis voor leren)?

    De drie theorieën gaan alle uit van verlaging van stress en angst. Stress en angst werken remmend op de executieve functies.

    De symptomen van PTSS hebben betrekking op cognitie, stemming, arousal (alertheid), reactiviteit, vermijding en intrusies. Voor een aantal van deze symptomen wordt in de inleiding aannemelijk gemaakt dat deze beïnvloed kunnen worden door de aanwezigheid van een dier.
    Om welke symptomen gaat dit? Leg uit hoe een dier hierop invloed uitoefent.

    • Intrusies: de aanwezigheid van het dier vormt een geruststellende geheugensteun dat er geen gevaar meer is.
    • Emotionele afvlakking: de aanwezigheid van een dier kan wél positieve emoties en warmte oproepen.
    • Isolatie: dieren kunnen zelf dienen als gezelschap of kunnen optreden als sociale facilitator.
    • Hyperarousal: de aanwezigheid van een dier is gelinkt aan de afscheiding van oxytocine en kan angstige arousal reduceren.

    Welke andere twee condities die het leerproces bevorderen worden positief door AAE beïnvloed?

    Een goede relatie tussen de leraar en de leerlingen, en een positieve stemming of sfeer in de klas.

    De review van Brelsford et al. richt zich op AAI in de educatieve setting (AAE), maar de focus was niet alleen gericht op educatieve of cognitieve effecten.
    Welke uitkomstcategorieën werden nog meer bekeken?

    Brelsford bespreekt een breed scala aan uitkomstmaten die onderverdeeld kunnen worden in cognitie, sociaal en emotioneel functioneren, motorische vaardigheden en fysiologische activatie (‘physiological arousal’).

    In de discussie proberen O’Haire et al. de veelheid aan gevonden effecten te reduceren tot een effect op PTSS-symptomen. De gevonden effecten op de hierboven genoemde categorieën worden in verband gebracht met de verschillende aspecten van PTSS. Leg in uw eigen woorden uit hoe de verschillende bevindingen terug te herleiden zijn naar PTSS.

    Eén van de belangrijkste bevindingen (gevonden in vijf van de tien studies) was een reductie in PTSS-symptomen. Het wordt uit de studies echter niet duidelijk of de AAI gericht was op specifieke symptomen en of bepaalde symptomen meer vatbaar zijn voor het effect van AAI dan andere. De overige uitkomstcategorieën verhelderen dit mogelijk wel wat.
    O’Haire speculeert dat de gevonden reductie in depressieve symptomen mogelijk samenhangt met cognitieve en stemmingsgerelateerde PTSS-symptomen en dat de afgenomen angstklachten samenhangen met de PTSS-symptomen gerelateerd aan arousal en reactiviteit.

    Ook de doelgroepen waarin de interventies bestudeerd werden, variëren nogal.
    Welke doelgroepen zijn geïncludeerd in de review?

    • Zich typisch ontwikkelende kinderen
    • Kinderen met gedrags- en leerproblemen zoals:
      • Stoornissen in het autistisch spectrum
      • Hechtingsproblemen
      • Emotionele- / gedragsproblemen
      • Leer-, taal- en communicatieproblemen
      • Visuele en auditieve verwerkingsproblemen
      • Aandachtsproblemen
    Deze lijst geeft een indicatie van de doelgroepen en settings waarin u AAE kunt verwachten.

    Wat zijn de OCEBM levels die Hall gebruikten voor hun onderzoek?

    1a Systematische reviews van RCT’s
    1b Individuele RCT’s met smalle betrouwbaarheidsintervallen
    1c ‘ All or none case series’
    2a Systematische reviews van cohortstudies
    2b Individuele cohortstudies, inclusief RCT’s van slechte kwaliteit 1
    2c ‘Outcomes research’, ecologische studies 7
    3 Individuele ‘case-control studies’
    4 ‘Case series’, inclusief cohort- en case control studies van slechte kwaliteit 13
    5 De mening van een expert 27

    Hall et al. noemen een aantal processen (gerelateerd aan leesvaardigheid) waarvan in het HAI-veld (dus breder dan enkel AAE) aangegeven wordt dat ze beïnvloed kunnen worden door de aanwezigheid van een dier. Welke processen noemen zij en welke (elementen van) theorieën herkent u hierin?

    Dieren kunnen een effect hebben op:
    • top-down-processen (attitude tegenover lezen, motivatie om te lezen)
    • zelfvertrouwen
    • angst en stress
    • sociale steun
    • aandacht en
    • betrokkenheid.
    De social support-hypothese en de biofiliehypothese worden letterlijk in de tekst genoemd. Meer impliciet kunt u echter nog meer theorieën uit de discussie filteren. Denk hierbij bijvoorbeeld aan informatieverwerkingssystemen en motivatie, wat bij veel processen aan bod komt, het stressverlagende effect, dat gerelateerd is aan sociale steun en hechting, en activatie van het oxytocinesysteem, wat gerelateerd is aan reductie van angst en toename van vertrouwen.

    Wat ziet u als de voor- en nadelen van een robot ten opzichte van een echt dier in AAI?

    Voordelen van een robot zijn bijvoorbeeld:
    ze zijn minder kwetsbaar dan een echt dier (er is ook geen kwestie of het dierenwelzijn gewaarborgd is); er zijn geen risico’s op bijvoorbeeld bijtincidenten; de robot hoeft niet getraind en verzorgd te worden.
    Nadelen van een robot zijn bijvoorbeeld:
    voor veel cliëntgroepen zijn ze wellicht minder ‘echt’ dan levende dieren, waardoor een andere interactie zal ontstaan; binnen groepsinterventies zijn robots minder interessant voor de overige deelnemers (met een echte hond kan het waardevol zijn te kijken wat het dier bij andere cliënten teweegbrengt).

    De uitdagingen in zowel theoretisch als praktisch opzicht voor onderzoek naar (de effectiviteit van) AAT kwam u eerder al tegen in het artikel van Serpell  et al. (2017). Herhaal kort deze theoretische en praktische uitdagingen.

    • het ontbreken van een verklarende theorie, vooral over wat AAI onderscheidt van andere therapieën.
    • Sommige theorieën lijken plausibel voor huisdierbezit, maar het is de vraag of dat ook voor AAI geldt, omdat er geen langetermijnrelatie tussen dier en cliënt is.
    • studie-ontwerp en -methodologie: slechte onderzoeksvragen, kleine onderzoekspopulatie, niet-gerandomiseerde condities, niet-gestandaardiseerde metingen en procedures, geen controlegroep, bias door verwachtingen onderzoeker, geen langetermijn follow-up
    • de heterogeniteit van zowel cliënten als dieren

    Welke voorbeelden noemt dr Verheggen over het dier als dokter?

    - Patiënten in ziekenhuizen die contact hebben met huisdieren
    - Bij de psycholoog, bij jongeren of volwassenen met autisme
    - Bezoeken aan mensen in een verpleeghuis
    - Kinderen die voorlezen aan een hond of paard

    Wat kan een huisdier bijbrengen bij een kind die onveilig gehecht is?

    Een onveilig gehecht kind lijkt echter met een dier wel een veilige hechting aan te kunnen gaan. Onveilige hechting wordt niet overgedragen op de relatie met het dier.

    Welke doelgroepen zijn included in de review van Brelsford et al.?

    • Zich typisch ontwikkelende kinderen
    • Kinderen met gedrags-en leerproblemen zoals:
      • Stoornissen in ass
      • Hechtingsproblemen
      • Emotionele-/ gedragsproblemen
      • Leer-, taal- en communicatieproblemen
      • Aandachtsproblemen


    Hierin kan je AAE verwachten

    Welke kanttekening plaats Brelsford bij het huidige onderzoek naar het inzetten van dieren in de klas?

    • Methodische kwaliteit van dieren in de klas
    • het is onduidelijk hoe sterk het effect is van inzetten van dieren in de klas

    Welke onderwerpen worden in het onderzoek van Brelford besproken? (groepering van onderzochte studies)

    1. Leesvaardigheid
    2. emotioneel functioneren en leervermogen
    3. sociaal functioneren en interpersoonlijke vaardigheden
    4. categorisering en objectherkenning
    5. gedrag in de klas
    6. fysiologische activatie
    7. instructies opvolgen en geheugentaken
    8. motorische vaardigheden en het opvolgen van instructies bij motoriektaken

    De vragen op deze pagina komen uit de samenvatting van het volgende studiemateriaal:

    • Een unieke studie- en oefentool
    • Nooit meer iets twee keer studeren
    • Haal de cijfers waar je op hoopt
    • 100% zeker alles onthouden
    Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.
    Trustpilot-logo