Mens-dierrelaties in het dagelijks leven - Attituden tegenover dieren

30 belangrijke vragen over Mens-dierrelaties in het dagelijks leven - Attituden tegenover dieren

Hoe heeft beroep invloed op attitude tov huisdieren?

Het werk dat iemand doet, kan van invloed zijn op de attitude tegenover dieren. In beroepen waar mensen te maken krijgen met stressvolle en onaangename procedures bij dieren (denk aan asielmedewerkers, dierenartsen en eventueel psychologen in de context van dierexperimenten) ontwikkelen mensen strategieën om hiermee om te gaan.

Hoe heeft religie invloed op attitude tov huisdieren?

Hoe sterker het geloof in God (en hoe conservatiever het geloof) of in een leven na de dood, des te waarschijnlijker is het dat men een dichotomie (in plaats van een continuïteit) ziet tussen mensen en dieren. Religie gaat over het algemeen gepaard met antropocentrisme (de ideologie dat mensen superieur zijn ten opzichte van dieren). Mensen die de evolutietheorie aanhangen, zijn vaker voor dierenrechten, dit in tegenstelling tot creationisten.

Hoe heeft cultuur invloed op attitude tov huisdieren?

Hoewel mensen van verschillende culturen dieren houden en met dieren in contact komen, variëren de details van onze relatie met dieren wel door culturen heen. Het is cultureel bepaald welke dieren geschikt zijn als huisdier, welke dieren bestemd zijn voor consumptie en welke dieren schattig zijn (of niet). De attituden tegenover dieren verschillen dus sterk per cultuur.
  • Hogere cijfers + sneller leren
  • Niets twee keer studeren
  • 100% zeker alles onthouden
Ontdek Study Smart

Hoe hebben individuele karaktereigenschappen invloed op attitude tov huisdieren?

Karaktereigenschappen die te maken hebben met een brede, inclusieve en flexibele focus (in tegenstelling tot een conventionele, rigide en hiërarchische focus) zijn doorgaans geassocieerd met een meer positieve attitude tegenover dieren.

Hoe hebben ideologische overtuigingen invloed op attitude tov huisdieren?

Overtuigingen gerelateerd aan groepshiërarchie en gehoorzaamheid aan de gevestigde authoriteit zijn gerelateerd aan attituden tegenover dieren. Mensen met autoritaristische overtuigingen zien de mens doorgaans als verschillend van dieren en zijn meer geneigd tot het gebruik van dieren voor hun eigen doeleinden.

Hoe heeft geslacht invloed op attitude tov huisdieren?

Vrouwen hebben doorgaans een positievere attitude tegenover dieren. Dit kan zowel door biologische (oxytocine) als door omgevings- of socialisatiefactoren (de vrouwelijke rol) worden verklaard.

Wat kun je zeggen over deze 7 terreinen qua effectgrootte?

Als we kijken naar de grootte van het effect dan is het verschil tussen mannen en vrouwen het grootst bij de jacht en de wreedheden tegen dieren door volwassenen (effectgrootte groot tot zeer groot). De concrete belasting voor het dier zal waarschijnlijk voor de jacht echter hoger liggen dan voor de wreedheden: jagen gebeurt op grotere schaal dan dierenmishandeling.

Wat kun je zeggen over deze 7 terreinen qua attitude?

Als we kijken naar de scores bij de verschillende aspecten van de attituden tegenover dieren dan zien we dat vrouwen bij vier aspecten positiever uit de bus komen: ze hebben een negatievere attitude tegenover het gebruik van dieren, zijn meer betrokken bij het beschermen van dieren, jagen minder en zijn minder betrokken bij wreedheden tegen dieren. Mannen komen slechts op één vlak positiever uit de bus: ze doen minder aan het hoarden van dieren (dit aspect is discutabel, zagen we eerder).

Wat zijn affect en utility?

Serpell stelt dat de attitude ten opzichte van dieren wordt bepaald door twee motivationele overwegingen: ‘affect’ (dit weerspiegelt de affectieve of emotionele respons op dieren) en ‘utility’ (de perceptie van de instrumentele waarde van het dier).

Deze twee motivationele overwegingen kunnen op een as weergegeven worden die kan variëren van positief (+1) tot negatief (-1). Deze twee schalen vormen een tweedimensionale ruimte waarbinnen een dier zich kan bevinden, afhankelijk van de relatieve sterkte van de affectieve en utilitaire beschouwingen (of heel simpel: afhankelijk van hoe leuk we ze vinden en de mate waarin we ze kunnen ‘gebruiken’).

Wat wordt er volgens Serpell mee bedoeld dat affect en utility onafhankelijk ontstaan, maar niet onafhankelijk zijn in hun effect op de attitude tegenover dieren?

Ongeacht het nut kan een dier positief of negatief affect oproepen en ongeacht of een dier positieve emoties oproept, kan het wel of niet nuttig voor de mens zijn. In die zin ontstaan ze onafhankelijk.
Positief affect roept echter vaak morele gevoelens en verplichtingen tegenover dat dier op. Dit terwijl een grote instrumentele waarde (positief dan wel negatief) vaak juist vraagt om een zekere afstand te bewaren tot het dier, omdat de instrumentele waarde vaak bepaalt dat het dier uiteindelijk wordt benadeeld of geschaad.

Hoewel affectieve en utilitaire overwegingen een algemene beschrijving kunnen geven van de attituden naar dieren toe, verklaren ze maar een deel van de variatie in de menselijke attitudes. Volgens Serpell spelen ‘attitude modifiers’ hier ook een rol in. Beschrijf wat Serpell bedoelt met ‘attitude modifiers’.

Attitude modifiers zijn factoren die van invloed zijn op ofwel de emotionele respons op het dier (affect) ofwel op de perceptie van het nut van een dier (utility). Deze kunnen grofweg ingedeeld worden in drie hoofdcategorieen: eigenschappen van het dier, individuele eigenschappen van de mens en culturele factoren.

Wat zijn volgens Serpell de kenmerken van dieren als attitude modifiers?

Dieren worden beoordeeld op basis van hun uiterlijke kenmerken, gedragsmatige dispositie, en gebruiksmogelijkheden. Karakteristieken van het dier die positief affect oproepen zijn:
  • het fylogenetisch dichtbij de mens staan, of een uiterlijk hebben of cognitieve/gedragsmatige kenmerken die sterk op de mens lijken.
  • een schattig, esthetisch aansprekend of indrukwekkend uiterlijk.
  • een kwetsbaar voorkomen.

Hoe kan wetenschap gezien worden als attitude modifier?

Tot slot noemt Serpell de wetenschap als een laatste ‘attitude modifier’. Een groei van de wetenschappelijke kennis over allerlei aspecten van het dier heeft geleid tot veranderingen in de affectieve respons die dieren oproepen alsmede in onze perceptie van het nut van bepaalde dieren. Een voorbeeld hiervan is dat onderzoek naar emoties, cognities en het bewustzijn van dieren ervoor heeft gezorgd dat er meer aandacht is voor de gelijkenis tussen mensen en dieren. Dat gaat gepaard met meer positieve affectieve attitudes tegenover dieren.

Het houden van veel dieren is niet automatisch het ‘hoarden’ van dieren. Wat kenmerkt hoarden van dieren?

  • niet in staat zijn de minimale zorg te verlenen (voorzien in basisbehoeften) aan dieren zoals ruimte, voeding, veterinaire en overige zorg bieden
  • vervolgens niet in staat zijn te zien welke gevolgen dit heeft op het welzijn van de dieren en de omgeving
  • obsessief vasthouden aan hetzelfde of een nog groter aantal dieren bij verslechterende omstandigheden
  • ontkenning of minimaliseren van de problemen rondom de leefomstandigheden van zowel de mensen als de dieren

Welke karakteristieken voor de animal hoarder geeft het artikel van Williams?

  • Vaak zijn hoarders van middelbare leeftijd of ouder.
  • Meestal (in driekwart van de gevallen) zijn het vrouwen.
  • Vaak leven zij alleen en sociaal geïsoleerd.
  • Soms zijn het professionals die werkzaam zijn in de ‘dierenwereld’.
  • Vaak hebben ze een trauma of een andere ernstige (rouw)situatie meegemaakt.

Leg in eigen woorden uit welke typen animal hoarding worden onderscheiden en wat de verschillen zijn.

  • overweldigde verzorgende hoarding: dieren worden passief verkregen (vaak) doordat dieren zich blijven voortplanten zonder castratie. Soms brengen mensen dieren naar deze hoarder omdat die zich wel over de dieren zal ontfermen.
  • door missie gedreven hoarding: hier worden dieren actief verzameld om euthanasie te voorkomen. Dit lijkt uiteindelijk op een dierenasiel waarbij niet geëuthanaseerd wordt.
  • uitbuitende hoarding: dit behelst de actieve verzameling van dieren zonder dat empathie met dieren enige rol speelt.
Deze drie vormen van hoarding verschillen dus in de manier waarop de dieren worden verkregen en in de mate van empathie met of betrokkenheid bij het dier.

Het definiëren van dierenmishandeling is complex. De definities variëren over tijd, plaats, culturen, landen en overtuigingen. Munro en Thrusfield (2001) stelden voor om voor dierenmishandeling dezelfde categorieën aan te houden als voor kindermishandeling, om zo een gemeenschappelijke taal te kunnen gebruiken. Welken vormen van dierenmishandeling zijn er volgens deze indeling?

  • fysiek misbruik
  • verwaarlozing
  • seksueel misbruik (bestialiteiten)
  • emotioneel misbruik

Wat zeggen Becker & French over dierenmishandeling door kinderen?

Dierenmishandeling kan een voorbode zijn van geweld tegen mensen en moet serieus worden genomen. Het kan leiden tot ongevoeligheid voor geweld bij kinderen en is vaak een vroeg teken van toekomstige psychopathologie, zoals blijkt uit het verband met later gewelddadig gedrag bij seriemoordenaars.

Wat zeggen Becker & French over dierenmishandeling als onderdeel van huiselijk geweld?

Een Britse studie (Hutton, 1983) toonde als een van de eerste een verband aan tussen kindermishandeling en dierenmishandeling. Hij ontdekte dat 82% van de onderzochte gezinnen met dierenmishandeling ook bekend waren bij de sociale dienst. Dit stimuleerde verder onderzoek in de VS, waar werd gevonden dat dierenmishandeling vaak samenvalt met kindermishandeling, vooral door vaders. In situaties van huiselijk geweld wordt dierenmishandeling soms gebruikt om slachtoffers, vooral kinderen, te intimideren en stil te houden. Dit kan slachtoffers weerhouden om hulp te zoeken. Pet-fostering diensten helpen nu vrouwen en kinderen om in veiligheid te komen zonder hun huisdieren achter te laten.

Wat zeggen Becker & French over dierenmishandeling als indicator voor kindermishandeling?

Mishandeling en verwaarlozing dragen bij aan het ontwikkelen van wreed gedrag tegenover dieren. Friedrich et al. (1986) vond dat 35% van seksueel misbruikte jongens dieren mishandelde, vergeleken met 5% van niet-misbruikte jongens. Bij ernstig mentaal zieke kinderen en jongeren (5-18 jaar) werd ook vaker dierenmishandeling gevonden bij degenen die seksueel misbruikt waren (McClellan et al., 1995). In het VK ontdekte het Young Abusers Project dat ongeveer 20% van kinderen die anderen seksueel misbruiken, ook dieren hebben mishandeld. Veel van deze kinderen hadden zelf een geschiedenis van ernstige mishandeling en verwaarlozing.

Welke psychologische interventies bij hoarding raden Becker & French aan?

Het wordt aanbevolen om comorbide stoornissen aan te pakken, omdat dit het hamstergedrag kan verminderen. Motiverende gespreksvoering wordt genoemd als een effectieve interventie, vooral bij gedragsveranderingen waar weerstand bij de cliënt bestaat. Cognitieve gedragstherapie (CGT) heeft bemoedigende resultaten laten zien bij het hamsteren van objecten en kan ook nuttig zijn bij het complexere probleem van dierenhamsteren. Werken aan probleemoplossende vaardigheden kan helpen, vooral omdat veel hamsteraars een instabiele jeugd hebben gehad. Psychologische interventies moeten worden gecombineerd met veterinaire en dierenzorgadviezen.

Wat zeggen de resultaten van Goseling et al. over de verschillen tussen hondenmensen en kattenmensen?

Hondenmensen scoorden significant hoger op extraversie (d=0.40), op agreeableness (d=0.33), en op consciëntieusheid (d=0.27), en significant lager op neuroticisme (d=0.30) en openness (0.27) dan kattenmensen. Er is dus inderdaad sprake van een verschil in persoonlijkheid tussen hondenmensen en kattenmensen. De effectgroottes zijn echter niet heel groot. Extraversie valt nog in de ‘medium’ range, maar de verschillen voor de overige dimensies zijn klein te noemen.

Goseling et al. gaven mensen tevens de mogelijkheid zichzelf te categoriseren als ‘beide’ en ‘geen van beide’ (naast ‘hondenmens’ en ‘kattenmens’). Beschrijf op basis van figuur 1 hoe deze twee categorieën zich verhouden tot ‘hondenmens’ versus ‘kattenmens’.

Hondenmensen lijken over het algemeen meer op de ‘beide’- en ‘geen van beide’- groep, kattenmensen springen er wat meer uit. Vooral in agreeableness, conscientiousness en neuroticisme zijn de hondenmensen bijna gelijk aan de ‘beide’- en ‘geen van beide’-groep. Dit zou erop kunnen wijzen dat een ‘hondenmens’ als het ware de standaard is en dat de ‘kattenmens’ een afwijkende groep vormt. Het zou dan ook interessant zijn hondenmensen en kattenmensen verder te onderzoeken in deze bredere context.

Welke factoren zijn van invloed op iemands attitude tegeonver dieren volgens Amiot en Bastian?

  • Beroep
  • Religie
  • Cultuur
  • Individuele karaktereigenschappen
  • Ideologische overtuigingen
  • Geslacht

Wat zijn de 7 terreinen binnen de mens-dierinteractie waarbinnen geslachtsverschillen zijn onderzocht? (Herzog)

  1. Houding ten opzichte van het gebruik van dieren
  2. Hechting aan huisdieren
  3. Betrokkenheid bij dierenbescherming
  4. Verzamelen van dieren (hoarding)
  5. Jagen op dieren
  6. Misbruik van dieren
  7. Bestialiteiten

Wat maakt het trekken van een conclusie over dierenmishandeling moeilijk?

  • Er worden kleine steekproeven gebuikt binnen onderzoek naar mishandeling
  • er bestaat een onduidelijke definitie van mishandeling en wat daar onder valt
  • er is een verschil in inzicht over wreedheid van kinderen bij dieren: pathologie (antisociale persoonlijkheidsstoornis) of overgangsritueel

Welke kanttekening plaatst Herzog bij de conclusies over de geslachtsverschillen?

  1. Naast geslacht zijn nog meer factoren van invloed op de mens-dierrelatie, zoals leeftijd, diersoort, nationaliteit etc.
  2. De overeenkomsten tussen mannen en vrouwen zijn vaak veel groter dan de verschillen; dit wordt in onderzoek soms vergeten.
  3. Veel onderzoeken naar de invloed van het geslacht op de mens-dierrelaties zijn niet goed gedocumenteerd. Effectgroottes, gemiddelden en standaarddeviaties zijn vaak niet meegenomen.
  4. Verschillen in attituden en gedrag tegenover dieren door het verschil in geslacht zijn niet onveranderlijk. Deze zijn niet uitsluitend genetisch. Kijk bijvoorbeeld naar de beroepsuitoefening van dierenartsen en hoe dit veranderd is door de jaren heen.

Wat is culturele transmissie? (Herzog)

Het proces van het doorgeven of aanleren van culturele elementen door individuen of groepen.

Welke verschillen worden er binnen culturen gezien mbt huisdieren?

Hoewel het waarschijnlijk is dat in de meeste culturen wel een vorm van huisdieren houden bestaat, zijn er enorme verschillen in hoe dat wordt gedaan. In de VS en Europa worden huisdieren vaak als gezinslid beschouwd. Op basis van de thema’s die tot nog toe aan de orde zijn geweest, zou u bijna vergeten dat dit in grote delen van de wereld anders is. In veel culturen bestaat niet eens een woord voor ‘huisdier’.

Welke factoren hebben invloed op veranderingen in populariteit van bepaalde hondenrassen?

De populariteit van een hondenras kan worden aangewakkerd door interne en externe factoren:
  1. interne factor: wanneer iemand kiest voor het onbekende vanuit verveling ten opzichte van het bekende. Andere mensen kopiëren vervolgens deze keuze waardoor een onbekend ras plotseling populair kan worden.
  2. externe factor: Media-exposure kan veranderingen in de attitude tegenover hondenrassen teweegbrengen. Denk bijvoorbeeld aan de populariteit van dalmatiërs na de Disney film '101 Dalmatiërs'.

De vragen op deze pagina komen uit de samenvatting van het volgende studiemateriaal:

  • Een unieke studie- en oefentool
  • Nooit meer iets twee keer studeren
  • Haal de cijfers waar je op hoopt
  • 100% zeker alles onthouden
Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.
Trustpilot-logo