Bewijsopdracht - Bewijswaardering - Dwingend bewijs

8 belangrijke vragen over Bewijsopdracht - Bewijswaardering - Dwingend bewijs

Bij een geschil over de verkoop van een woning legt één partij een door de notaris opgemaakte leveringsakte over. De andere partij zegt dat de overdracht eigenlijk niet heeft plaatsgevonden. Hoe moet de rechter de akte beoordelen?

De leveringsakte heeft dwingende bewijskracht. De rechter moet de inhoud daarvan voor juist houden, tenzij tegenbewijs wordt geleverd.

Voorkant: In een procedure over de verkoop van een woning wordt een notariële leveringsakte overgelegd. De gedaagde stelt dat de akte vals oogt, dat partijen misschien nooit bij de notaris zijn verschenen en dat de koopprijs feitelijk nooit is betaald. Welke vormen van bewijskracht spelen hier een rol?

  • Uitwendige bewijskracht: de akte moet worden gehouden voor wat zij uiterlijk lijkt te zijn, namelijk een echte notariële akte.
  • Formele bewijskracht: de rechter moet aannemen dat de verklaringen daadwerkelijk zijn afgelegd en dat partijen bij de notaris zijn verschenen.
  • Materiële bewijskracht: de inhoud van de akte geldt als bewijs van hetgeen de akte beoogt te bewijzen ten gunste van degene voor wie de akte bewijs oplevert, zoals de overdracht van de woning.
  • In een geschil over de eigendom van een woning beroept de eiser zich op een notariële leveringsakte. De gedaagde stelt dat de akte vals is, maar levert daarvoor nog geen bewijs. Hoe moet de rechter hiermee omgaan en bij wie ligt de bewijslast?

    Een authentieke akte heeft uitwendige, formele en materiële bewijskracht. De rechter moet dus uitgaan van de juistheid van de akte, tenzij de valsheid wordt bewezen. De bewijslast van de valsheid ligt bij degene die stelt dat de akte vals is (art. 159 lid 1 Rv).
    • Hogere cijfers + sneller leren
    • Niets twee keer studeren
    • 100% zeker alles onthouden
    Ontdek Study Smart

    In een procedure over een onderhandse leenovereenkomst erkent de gedaagde dat de handtekening van hem is, maar stelt hij dat de inhoud later is aangepast en dus vals is. In een andere zaak ontkent de gedaagde juist dat de handtekening van hem afkomstig is. Hoe zit het met de bewijslast en bewijskracht van de onderhandse akte?

    Een onderhandse akte heeft alleen materiële bewijskracht.
    Als wordt gesteld dat de inhoud vals is, maar de handtekening wel echt is, ligt de bewijslast van de valsheid bij degene die dat stelt. De rechter kan wel een rechterlijk vermoeden van valsheid aannemen.
    Als wordt gesteld dat de handtekening niet echt is, mist de akte iedere bewijskracht. Dan moet degene die de akte als bewijs gebruikt, de echtheid van de handtekening bewijzen (art. 159 lid 2 Rv).
    Bij bepaalde onderhandse aktes kan daarnaast een goedschrift vereist zijn (art. 185 Rv).

    In een procedure levert de eiser met een onderhandse akte dwingend bewijs van een geldlening. De gedaagde kan niet volledig bewijzen dat geen lening bestond, maar brengt wel verklaringen en omstandigheden naar voren die ernstige twijfel oproepen over het verhaal van de eiser. Is dat voldoende?

    Tegen dwingend bewijs staat tegenbewijs open. Voor tegenbewijs hoeft de wederpartij niet het tegendeel volledig te bewijzen; voldoende is dat het eerder geleverde bewijs wordt ontzenuwd, zodat een non-liquet situatie ontstaat. Dit volgt onder meer uit HR 16 maart 2007, NJ 2008/219 (Wooning/Wooning).

    : De rechter leidt uit vaststaande feiten het vermoeden af dat een bestuurder wist van de financiële problemen van de vennootschap. De bestuurder kan niet volledig het tegendeel bewijzen, maar toont wel omstandigheden aan waardoor dit vermoeden minder waarschijnlijk wordt. Is dat voldoende als tegenbewijs?









    Ja. Tegen een rechterlijk of wettelijk vermoeden hoeft niet het volledige tegendeel te worden bewezen. Voldoende is dat aannemelijk wordt gemaakt dat het vermoeden niet opgaat.

    Een patiënt loopt schade op na een medische behandeling waarbij een veiligheidsnorm is geschonden die juist bedoeld was om dit soort schade te voorkomen. Het ziekenhuis stelt dat de schade ook een andere oorzaak kan hebben gehad, maar kan dat niet overtuigend bewijzen. Hoe werkt de omkeringsregel hier?

    Als aan de voorwaarden van de omkeringsregel is voldaan, komt de onzekerheid over het precieze verloop van de gebeurtenissen voor risico van degene die de norm heeft geschonden. De benadeelde hoeft het causale verloop dan niet volledig te stellen en te bewijzen.
    De aangesproken partij kan tegenbewijs leveren door alternatieve oorzaken aannemelijk te maken. Volledig bewijs is daarvoor niet vereist, maar de alternatieve oorzaak moet wel voldoende aannemelijk zijn. Als dat niet lukt, blijft het vermoeden van causaal verband in stand.

    Een consument koopt een sportpaard. Binnen zes maanden na levering blijkt het paard kreupel te zijn. De consument beroept zich op art. 7:18 lid 2 BW, waardoor wordt vermoed dat het gebrek al bij aflevering bestond. De verkoper voert aan dat hij alleen maar twijfel hoeft te zaaien over de oorzaak van de kreupelheid. Heeft de verkoper genoeg aan tegenbewijs?

    Nee. Bij het bewijsvermoeden van art. 7:18 lid 2 BW is tegendeelbewijs vereist. De verkoper moet dus bewijzen dat het gebrek bij aflevering niet bestond. Het is niet voldoende om het vermoeden slechts te ontzenuwen of twijfel te creëren. Dit volgt uit richtlijnconforme uitleg van art. 7:18 lid 2 BW in lijn met de Richtlijn consumentenkoop en HvJ EU Faber/Hazet Ochten.

    De vragen op deze pagina komen uit de samenvatting van het volgende studiemateriaal:

    • Een unieke studie- en oefentool
    • Nooit meer iets twee keer studeren
    • Haal de cijfers waar je op hoopt
    • 100% zeker alles onthouden
    Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.
    Trustpilot-logo