GZ Bevorderingen

42 belangrijke vragen over GZ Bevorderingen

De gz situatie van NL met een migratie-achtergrond is diffuus en complex beeld waarbij de sterftecijfers niet altijd in het nadeel zijn van mensen met een migratie-achtergrond, mede door

De lagere consumptie van alcohol en tabak. Daartegenover staat dat de algemeen ervaren GZ in de regel slechter is, onder meer vanwege een veel hogere prevalentie van depressieve klachten en een aantal chronische aandoeningen zoals DM en gewrichtsaandoeningen. Maar ook vaker infectieziekten, hepatitisch en BHK.

Efficacy verwijst naar de effectiviteit onder minder gecontroleerde omstandigheden

Waarvan bijvoorbeeld sprake is in een gerandomiseerd experiment.

Als een interventie in werkelijkheid geen effect heeft maar wel als effectief wordt bestempeld n.a.v. Een effectonderzoek, dan spreekt men van een type 1 fout. Van een type 2 fout is sprake als het effectonderzoek uitwijst dat een interventie niet effectief is, terwijl die dat eigenlijk wel is.

Een type 3 fout is gelijk aan een type 2 fout. Echter bij type 3 fout is de oorzaak altijd dat een interventie niet volgens plan of niet volledig is uitgevoerd.
  • Hogere cijfers + sneller leren
  • Niets twee keer studeren
  • 100% zeker alles onthouden
Ontdek Study Smart

Een evaluatie-onderzoek is intern valide als het zo is opgezet en uitgevoerd dat

het gemeten effect uitsluitend aan de interventiemaatregel kan worden toegeschreven.

Externe validiteit verwijst naar de mate waarin de resultaten generaliseerbaar zijn naar andere omstandigheden en populaties.

Als een onderzoeker bij herhaling onder dezelfde omstandigheden dezelfde uitkomsten geeft hoeven deze uitkomsten nog niet generaliseerbaar te zijn. Dat betekent slechts dat de uitkomsten betrouwbaar zijn.

Een labonderzoek heeft i.v.m. Een veldonderzoek een hogere matevan interne validiteit.

Belangrijke redenen hiervoor zijn dat de onderzoeker in staat is om d.m.v. Randomisatie de interventie en de controlegroep goed vergelijkbaar te maken en externe verstorende variabele te controleren. Daarnaast kan de onderzoeker volledige controle uitoefenen over het verloop van het experiment. Bij een veldonderzoek is dit moeilijker.

Benoem vijf stappen om een zo hoog mogelijke power van een evaluatie-onderzoek te realiseren.

1. Kies een geschikte significantietoets
2. Kies een adequate statistische toets
3. Zorg dat de onderzoeksgroep voldoende groot is
4. Probeer de effectgrootte optimaal te maken
5. Kies de juiste effectmaat.

Het niet hebben van een controlegroep bedreigt de IV van een evaluatie-studie op diverse punten. Een van de bedreigingen is rijping:

Het rijpingseffect verwijst naar veranderingen die los van de interventie plaatsvonden door een ontwikkeling die al in gang was gezet en die zich verder voltrekt tijdens de interventie-periode. Bijvoorbeeld als mensen minder snacks eten hoeft dat niet te komen door een GZ bevorderende interventie maar kan het ook te maken hebben met een algemene trend die al gaande was. En men spreekt van het geschiedenis-effect als er zich tijdens de evaluatiestudie ongeplande gebeurtenissen hebben voorgedaan die invloed hebben op de effectmaat.

Selectiebias: de gekozen steekproef vormt geen afspiegeling van de totale populatie.

De groepen zijn niet goed vergelijkbaar.

Wat is het verschil tussen participatie en co-creatie?







Bij participatie gaat het vooral om mensen die direct bij de interventie zijn betrokken die meedoen, meedenken en meebeslissen. Bij co-creatie is een bredere groep betrokken. Naast eindgebruikers worden bij co-creatie dus ook andere relevante belangrijke samenwerkingspartners gezocht. Voorbeelden van organisaties die in co-creatieprocessen bij een interventie betrokken kunnen worden: GGD, gemeente, universiteiten, kennisinstituten en bedrijven.

Tijdens het ontwikkelen en implementeren van gezondheidsbevorderende interventies kan samenwerking verschillende vormen aannemen. Probeer in eigen woorden uit te leggen wat bedoeld wordt met participatie als vorm van samenwerken.




Participatie heeft hier betrekking op de betrokkenheid van eindgebruikers bij veranderingen die van invloed zijn op hun gezondheid of gezondheidsgedrag. Indien samenwerking resulteert in meedenken, meedoen en meebeslissen noemen we dit participatie. Participatie kan in elke fase plaatsvinden, bijvoorbeeld tijdens de voorbereidende fase en ontwikkelfase.

Er is geen universele regel die bepaalt wanneer een interventie voldoende kosteneffectief is. Toch bepaalde in 2006 de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg twee absolute grenzen voor kosteneffectiviteit. Welke grenzen zijn dat?

  1. Indien een medische behandeling meer dan 80.000 euro kost om één patiënt een extra levensjaar van goede kwaliteit (QALY zie hoofdstuk 2 van het tekstboek) te geven, zou die behandeling niet meer in de basisziektekostenverzekering moeten worden opgenomen.
  2. Indien een interventie per gewonnen levensjaar of per DALY (zie hoofdstuk 2 van het tekstboek) minder kost dan het gemiddelde jaarinkomen, wordt deze als kosteneffectief beschouwd.

Een economische evaluatie binnen de gezondheidszorg kijkt idealiter naar de verhouding tussen bereikte gezondheidswinst en de daarvoor gemaakte kosten. Een probleem hierbij is dat gezondheidswinst van interventies vaak pas op lange termijn zichtbaar wordt. Op welke twee manieren kun je toch een economische evaluatie uitvoeren?

  1. In plaats van te kijken naar de bereikte gezondheidswinst, kijk je naar de mate van verandering in intermediaire uitkomstmaten (bijvoorbeeld gedragsverandering).
  2. Je kan een epidemiologisch simulatiemodel gebruiken om de kosteneffectiviteit van de gezondheidseffecten te schatten.

Wat onderzoek je met een economische evaluatie of doelmatigheidsonderzoek?



Met een economische evaluatie kun je onderzoeken of de effectiviteit van een interventie (de opbrengsten) in verhouding staat tot de investering (kosten), meestal in vergelijking met alternatieve interventies. Om een goede indruk te krijgen van deze verhouding, bereken je de kosten per eenheid effect of het effect per eenheid investering.

Volgens het raamwerk voor het bevorderen van implementatie zijn er drie hoofdonderdelen van belang bij implementatie:

  1. voorbereiding op implementatie
  2. het opstellen van een implementatieplan
3. het implementatieproces.

Diffusie: de spontane verspreiding van een innovatie zonder planmatige hulp van

buitenaf

Disseminatie: planmatige en gerichte verspreiding van een interventie onder bepaalde groepen of in

bepaalde settings

Welke belangrijke determinanten identificeerden dr. Peels en collega’s van een implementatieplan voor Actief Plus?






Uit hun analyses (Peels et al., 2024) blijken verschillende determinanten voor de implementatie door de intermediairs. Dat zijn: interventiekenmerken (uitkomstverwachting, relatieve voordeel, complexiteit en compatibiliteit), kenmerken van de organisatie (soort organisatie, en de ervaren taakverantwoordelijkheid van de organisatie), de sociale ondersteuning die de intermediair verwacht te ontvangen, en de attitude, eigen-effectiviteit en sociale norm van de intermediaire organisatie.

Binnen een complex-systeembenadering maak je als onderzoeker actief deel uit van het proces en help je door het inbrengen van observaties en eigen expertise. Je hebt dus als onderzoeker een extra rol, namelijk die van procesondersteuner. Hoe kan je als onderzoeker je objectiviteit waarborgen tijdens dit proces?

Als procesondersteuner blijf je veranderingen monitoren en koppel je resultaten terug naar het systeem in feedback-loops. Je staat dus dicht bij de praktijk maar moet ook het geheel kunnen blijven beoordelen. Om hierin zo objectief mogelijk te werk te gaan, kan je gebruikmaken van datatriangulatie: Verschillende databronnen worden vergeleken om bevindingen te valideren.

Waarom is een quai-experimenteel onderzoeksdesign een betere optie dan een radomized controlled trail (RCT), als effectevaluatie van een interventie in een Complex systeem?

Binnen een RTC wordt de context zoveel mogelijk weggenomen om de omstandigheden onder controle te kunnen houden. Maar deze context is in een complex systeem juist heel belangrijk voor de uitkomst. binnen een quasi-experimenteel design wordt de context niet volledeig weggenomen. dit betekent wel dat je relevante informatie over de context dient te verzamelen en mee te nemen in je analyse.

Beschrijf welke twee determinanten de stoptober-campagne probeert te beinvloeden

Sociale invloed: de campagne moedigt mensen aan om hun stopoging te delen met hun omgeving.
Eigen-effectiviteit: de campagne moedigt mensen aan om hun vertrouwen in het stoppen met roken te vergroten, ook tijdens moeilijke momenten.

In de implementatieliteratuur staat het betrekken van de juiste stakeholders vaak centraal. Geeft bij elk type kort aan welke strategie je het beste kunt toepassen:


Stakeholders met veel interesse en invloed: intensief contact houden en een rol geven bij planning van de implementatie.Stakeholders met weinig of geen interesse maar wel veel invloed: betrokkenheid vergroten.
Stakeholders met veel interesse maar weinig invloed: betrek bij de uitvoering, om anderen te motiveren (bijvoorbeeld als ambassadeur of kartrekker).
Stakeholders met weinig interesse en weinig invloed: luister naar gebrek aan interesse maar steek er niet te veel tijd in.

Waarom is een quasi-experimenteel onderzoeksdesign een betere optie dan randomized controlled trial (RCT) als effectevaluatie van een interventie in een complex systeem?

Binnen een RCT wordt de context zoveel mogelijk weggenomen of onder controle gehouden. De context is in een complex systeem nu juist heel belangrijk. Binnen een quasi-experimenteel design wordt de context niet volledig weggenomen.

Alle basisscholen in NL organiseren een gz-week voor alle leerlingen en hun ouders. Tijdens deze week krijgen zij informatie over voeding, beweging, slaap en schermtijd. Er worden workshops, beweegactiviteiten en een waterchallenge georganiseerd, en ouders krijgen tips om thuis gezonde keuzes te stimuleren.

Deze casus richt zich op universele preventie (met als doel om bij alle leerlingen de gz te verbeteren en de kans op ziekte te verminderen).

Pieter heeft recent een hartinfarct gehad en is gestart met een revalidatie-programma in het ZH. Naast fysiotherapie volgt hij ook voedingsadvies en krijgt hij coaching van een leefstijlcoach. Het programma richt zich op het voorkomen van een nieuw hartinfarct door zijn gedrag en risico-factoren (zoals stress, voeding en beweging aan te pakken.

Dit is een voorbeeld van zorggerelateerde preventie. De inerventie vindt plaat na het ontstaan van een GZ-probleem en is gericht op het voorkomen van terugval of verergering van de ziekte. Het sluit aan bij de reguliere zorg en is specifiek afgestemd op de patient.

Sophie is 45 jaar en heeft van haar HA het advies gekregen om meer te gaan bewegen, omdat ze een verhoogd risico heeft op hart en vaatziekten. Sinds kort gaat ze drie keer per week wandelen. Als haar vriendin haar vraagt waarom ze dat zo consequent doet zegt ze: ik weet dat het belangrijk is voor mijn GZ op lange termijn. Ik wil er alles aan doen om fit en gezond te blijven. Welk type motivatie laat Sophie zien volgens de self-determination theory?

Er is sprake van geïdentificeerde regulatie. Sophie geeft duidelijk het nut aan van haar gedrag, ze gaat wandelen om fit en gezond te blijven. Dit past bij haar persoonlijkheidswaarden.

Studenten plannen een coachingsgesprek met een studentenpsycholoog wanneer ze stress of mentale klachten ervaren. Noem twee determinanten van gezond gedrag die een rol spelen bij het behalen van het gedragsdoel.

Kennis: studenten moeten weten hoe en wanneer ze een coachingsgesprrek kunnen plannen en wanneer  dit nodig is.
Eigen-effectiviteit: studenten moeten vertrouwen hebben in hun vermogen om hulp te zoeken en een gesprek aan te gaan.

Wat zijn de vier typen de-implementatie zoals onderscheiden door Norton en Chambers (2020).

Stoppen zonder alternatief, stoppen met beschikbaar stellen van interventie-materiaal als de interventie niet effectief is of onbedoelde effecten heeft.
vervangen door alternatief: kiezen voor een andere interventie die effectiever kan zijn of beter aansluit bij de doelgroep.
Verminderen van implementatie: selectief gebruiken van onderdelen van de interventie.
Selectieve implementatie: selectief implementeren van de interventie bijvoorbeeld bij een bepaalde leeftijdsgroep.

In de krant wordt gemeld dat er bij vrouwen in NL in de leeftijdsgroep 40 tot 75 jaar jaarlijks 10.000 nieuwe gevallen van borstkanker worden gerapporteerd. Waarvan is dit cijfer van 10.000 een voorbeeld?

Incidentie-cijfer

In 2022 was 29.2% van de bevolking in Heerlen geregistreerd met psychische klachten.

Dit cijfer is een voorbeeld van prevalentie.

Welke aandoening veroorzaakt in NL de hoogste ziektelast, uitgedrukt in DALY?

Coronaire hartziekten.

Op basis van welke gegevens wordt SEP vaak gemetern?

Opleidingsniveau, beroepspositie en inkomen/vermogen

Sociaal-ecoomische verschillen kunnen voor gz-verschillen zorgen. Dit zagen we ook tijdens de COVID-19-pandemie. Buiten de zorginstellingen was de sterfte door COVID-19 hoger bij mensen in de laagste inkomensgroep. Welke factoren speelden hierbij een rol?

Minder flexibele arbeidsomstandigheden en krappere behuizing.

Intentioneel en beredeneerd gedrag

Bij Intentioneel gedrag denken mensen na over gedrag, alternatieven en mogelijke gevolgen. Zij vormen vervolgens een gedragsintentie: een plan om een bepaald gedrag uit te voeren. Een intentie is belangrijk, maar leidt niet automatisch tot gedrag. Mensen kunnen bijvoorbeeld van plan zijn om te stoppen met roken, maar dit niet uitvoeren doordat zij te weinig vertrouwen hebben dat het lukt, door sociale invloed, gewoonten en omstandigheden.

Automatisch gedrag is vaak een reactie op een externe stimulus. Mensen handelen dan zonder bewust alternatieven of consequenties te overwegen.

Iemand die bij dorst automatisch naar een zak chips grijpt, omdat dit gedrag gewoonte is geworden.

Een gewoonte is gedrag dat door herhaling in een bepaalde situatie steeds automatisch wordt uitgevoerd. Voorbeeld uit het boek: iemand eet ieder avond chips bij het tv kijken. Tv wordt dan een prikkel voor het gedrag.

Bij verandering van gewoontegedrag is het dus niet alleen relevant wat iemand weet of wil, maar ook welke prikkels en situaties het gedrag uitlokken.

Intrinsieke motivatie: komt vanuit de persoon zelf
Extrinsieke motivatie: motivatie die voortkomt uit een externe reden, zoals beloning, druk, verplichting of verwachtingen van anderen.

Iemand kan bijvoorbeeld willen stoppen met roken omdat diegene dit zelf belangrijk vindt maar ook omdat de sociale omgeving druk uitoefent

Volgens Bnadura kunnen verwachtingen over eigen-effectiviteit verschillen op drie dimensies:

Magnitude: de inschatting van de vaardigheden die nodig zijn om gedrag uit te voeren.
Generality: de inschatting of iemand hetzelfde gedrag ook in verschillende situaties kan uitvoeren
Strength: de waarin iemand vertrouwen heeft vertrouwen heeft dat hij of zij het gedrag kan uitvoeren. Eerdere succes en mislukkingen kunnen invloed hebben op de eigen-effectiviteitsverwachting. Ook speelt mee waaraan mensen succes of falen toeschrijven.

Gz-vaardighede. Kennis hangt samen gezondheidsvaardigheden (health literacy). GZ-vaardigheden gaan over de mate waarin mensen in staat zijn om gz-informatie te verkrijgen, te begrijpen, te evalueren en correct toe te passen.

Kennis is een belangrijke basis, maar niet genoeg om gz-vaardig te zijn.

P-kenmerken zijn algemene trekken die niet aan één specifiek gedrag verbonden zijn, maar indirect invloed kunnen hebben op het gz-gedrag. Denk aan de big five.

P-kenmeren beïnvloeden gz-gedrag meestal indirect, bijvoorbeeld via attitude, subjectieve norm, EE en intentie. Soms kunnen zij ook de relatie tussen intentie en gedrag versterken.

Consolidated Framework for Implementation Research: helpt implementatie systematisch te analyseren.

Kenmerken van de interventie
externe omgeving
interne organisatie
kenmerken van de gebruiker
implementatieproces

Hoogrisicobenadering is vooral aangewezen als het RR op het probleem waar de interventie op is gericht hoog is, maar er betrekkelijk weinig mensen

Zijn bij wie het risico sterk verhoogd is.

De vragen op deze pagina komen uit de samenvatting van het volgende studiemateriaal:

  • Een unieke studie- en oefentool
  • Nooit meer iets twee keer studeren
  • Haal de cijfers waar je op hoopt
  • 100% zeker alles onthouden
Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.
Trustpilot-logo