Werkproces 5: Voert sportmassage uit - Fysiologie - Celleer: cytologie

28 belangrijke vragen over Werkproces 5: Voert sportmassage uit - Fysiologie - Celleer: cytologie

Wat zijn de mechanismen van warmteproductie en -afgifte in het lichaam?

  • Warmteproductie en -afgifte zorgen voor een lichaamstemperatuur tussen 36,5°C en 37,2°C.
  • Het thermoregulatiecentrum in de tussenhersenen controleert dit constant.
  • Lichaamstemperatuur stijgt als capillairen verwijden en warmteverlies plaatsvindt via straling en geleiding.
  • 75% gaat verloren door straling en geleiding; 25% door verdamping van water en transpiratie.

Wat gebeurt er met de stofwisseling door spierarbeid?

  • Spierarbeid verhoogt de stofwisseling.
  • Lichte arbeid: ongeveer 2500 cal/dag.
  • Zware arbeid: tot 5000 cal/dag.
  • Stofwisseling verdeeld in:
1. Anabolisme: Groei, instandhouding, reparatie cellen.
  1. Katabolisme: Energie voor lichaamsprocessen en temperatuurbalans.
  2. Celtstofwisseling: Levering voedingsstoffen; transport via bloed.

Wat is osmose en waarom is het belangrijk?

  • Osmose: beweging water door semi-permeabel membraan.
  • Membraan laat alleen water door, niet opgeloste stoffen.
  • Water beweegt naar gebied met laagste waterconcentratie.
  • Essentieel voor celvochtbalans en functie.
  • Osmotische druk zorgt voor balans.
  • Hogere cijfers + sneller leren
  • Niets twee keer studeren
  • 100% zeker alles onthouden
Ontdek Study Smart

Hoe speelt bloeddruk een rol in de celtstofwisseling?

-op basis van drie krachten vindt de stofwisseling plaats. Bijvoorbeeld bij een hoge bloeddruk en veel zout eten wordt veek vocht in het lilchaam vastgehouden. Deze vochtophoping beindt zich dan vooral in het vocht, dat de cellen omspoelt extracellulair (weefselspleten)

Wat zijn de functies van enzymen in de spijsvertering en stofwisseling?

  • Enzymen versnellen bepaalde chemische reacties zonder direct deel te nemen.
  • Helpen de spijsvertering en celstofwisseling te reguleren.
  • Koolhydraten worden afgebroken tot eenvoudige suikers zoals glucose.
  • Vetten worden afgebroken tot vetzuren.
  • Eiwitten worden afgebroken tot aminozuren.

Wat is het belang van aminozuren en hoe worden ze gemetaboliseerd?

  • Aminozuren zijn essentieel voor de lichaamseiwitten.
  • Sommige aminozuren zijn vervangbaar, andere niet.
  • Aminozuren die overblijven worden in de lever afgebroken.
  • Balans tussen opbouw en afbraak bepaalt de stikstofbalans.
  • Negatieve stikstofbalans kan leiden tot afbraak van lichaamsweefsel.

Wat is Fysiologie en waarom is het zo belangrijk voor een sportmasseur?

Fysiologie beschrijft het verband tussen de diverse weefsels en organen. Vooral de fysiologie van de stofwisselingsprocessen, die zich op celniveau afspelen, is voor de sportmasseur van belang om zijn handgrepen zodanig te kunnen doseren dat het effect wordt bereikt.

Wat zijn de kenmerken van de levende cel?

  • Voortplantingsvermogen (het herschept zichzelf)
  • Prikkelbaarheid en prikkelgeleiding
  • Stofwisseling (stofopnamen en uitscheiding)
  • Groei- beweeglijkheid

Wat gebeurt er met afvalproducten van de stofwisseling?

  • Koolhydraten verbranden tot kooldioxide en water.
  • Eiwitten verbranden tot kooldioxide, water, ureum en andere producten.
  • Vetten verbranden volledig tot kooldioxide en water.

Welke kenmerken heeft iedere cel? Beschrijf hier ook kort een eigenschap van.


  1. Celmembraan; vormt de scheiding tussen het inwendige en het uitwendige van de cel, deze wand is semipermaebel.

  2. Celkern; in de celkern wordt groei en deling geregeld, ook liggen de erfelijke eigenschappen erin opgeslagen.

  3. Cytoplasma; levende substantie in een cel dat de elementen koolstof, stikstof, waterstof en zuurstof bevat. Cytoplasma bestaat voor 90% uit water. Daarnaast bevat het eiwitten, zouten, koolhydraten en enzymen.

  4. Mitochondriën; de energiefabriekjes van de cel waarin ATP wordt gevormd door de verbranding van koolhydraten, vetten en eiwitten.

  5. Ribosomen; zorgen voor de samenstelling van lichaamseigen eiwitten.

  6. Golgicomplex; dient voor de uitscheiding van voornamelijk eiwitten in klieren.

Wat is de betekenis van basale stofwisseling en hoe wordt deze berekend?

  • Minimum aan calorieën nodig voor basislevensfuncties.
  • Per dag ongeveer 1700 kcal voor een persoon van 70 kg.
  • Berekend op basis van zuurstofverbruik en uitgeademd kooldioxide.
  • Vrouwen hebben een lagere basale stofwisseling dan mannen.

Omschrijf de volgende termen: milieu-interieur, intercellulaire ruimte, extracellulaire ruimte, interstitium.

  • Intercellulaire ruimte; de ruimte tussen de cellen.
  • Extracellulaire ruimte; de ruimte buiten de cellen (= dus gelijk aan bovenstaande)
  • Milieu-interieur; de vloeistof tussen de cellen in de intercellulaire ruimte.
  • Interstitium; de ruimte tussen de cellen (= gelijk aan eerste 2)

Wat gebeurt er met de energie die het lichaam krijgt wanneer er geen spierarbeid wordt verricht?

  • In rust produceren voedingsstoffen voornamelijk warmte.
  • Slechts 25% van de energie wordt gebruikt voor spierarbeid en de opbouw van stoffen in het lichaam.
  • 75% van de energie komt vrij als warmte.
  • Een normale voeding moet de calorische behoefte dekken en de eiwitbehoefte vervullen.

Omschrijf de volgende termen: filtratie, osmotische druk, colloid osmotische druk, diffusie, osmose, resorptie en secretie.

  • Filtratie; het verplaatsen van water met daarin opgeloste stoffen.
  • Osmotische druk; het drukverschil tussen een vloeistog met een hoge concentratie deeltjes en een vloeistof met een lage concentratie deeltjes.
  • Colloid osmetische druk; de vochtafvoer vanuit weefsels doordat de bloedbaan een hogere eiwitconcentratie heeft dan het vocht in de weefselspleten.
  • Diffusie; het transport van gassen onder invloed van een concentratie verschil.
  • Ormose; filtratie van vloeistoffen door een semipermaebel membraan.
  • Resorptie; de opnamen van opgeloste (voedings)stoffen in bloed of lymfe.
  • Secretie; de afscheiding van vocht in het lichaam door slijmvliezen en klieren.

Omschrijf op welke wijze groei plaatsvindt. Gebruik daarbij de termen assimilatie, dissimilatie en metabolisme.

Als de anabole processen groter zijn dan de katabole processen, is er sprake van groei. Het metabolisme bestaat dus uit anabole en katabole processen die elkaar aanvullen. Katabole processen zorgen voor de energie die nodig is voor anabole processen.

Wat zijn vegetatieve functies en hun onderdelen volgens de fysiologie?

Vegetatieve functies zorgen voor het voortbestaan van het individu en de soort:
  • Stofwisseling (metabolisme): Omzetten van stoffen voor groei of vervanging.
  • Opname (absorptie): Stoffen uit de omgeving selectief opnemen.
  • Ademhaling: Opnemen van zuurstof en afgeven van kooldioxide.
  • Uitscheiding (secretie): Afgeven van stoffen naar extracellulaire ruimte.
  • Groei: Vorming van structuurelementen door stofwisselingsprocessen.
  • Voortplanting: Toename van individuen door deling.

Wat zijn animale functies en hun kenmerken?

Animale functies stellen een cel in staat doelgericht te reageren:
  • Prikkelbaarheid (receptie): Inwendig reageren op externe prikkels.
  • Prikkelverwerking: Reactie kan lokaal of door geleiding en overdracht verlopen.
  • Beweging (motoriek): Veranderen van vorm en plaats; gedrag bepalen.

Wat zijn de hoofdonderdelen van het menselijk lichaam zoals beschreven in de tekst?

- Het menselijk lichaam bestaat uit drie hoofdonderdelen:
  1. Cellen
  2. Intracellulaire vloeistof
  3. Bijzondere vloeistof zoals bloed en lymfe
  • Cellen zijn de kleinste functionele bouwstenen van het lichaam.
  • Interstitiële vloeistof bevindt zich extracellulair en draagt bij aan het milieu interieur.

Hoe is een cel opgebouwd en wat is de functie van het celmembraan?

- Een cel bestaat uit:
  1. Celmembraan (celwand)
  2. Celkern (nucleus)
  3. Protoplasma of cytoplasma

Wat zijn de kenmerken van de celmembraan (celwand)

De kenmerken van een celmembraan zijn:
  • - Bestaat uit drie lagen:
  1. De buitenste laag bestaat uit eiwitten (proteïne)
  2. de middelste laag bestaat uit vetten (lipiden)
  3. de buitenste laag bestaat uit eiwitten
  • - Zorgt voor de doorlaat van stoffen zoals eiwitten, enzymen, hormonen en antilichamen
  • - Bevat gevoelslichaampjes  (receptoren) die selectie maken welke stoffen wel of niet bestemd zijn voor de cel

Wat is de functie van de celkern en hoe staat deze in verbinding met andere organellen?

  • De celkern of nucleus is variabel in vorm en grootte.
  • Omringd door een dubbel membraan, in verbinding met endoplasmatisch reticulum.
  • Verantwoordelijk voor eiwitsynthese; bevat poriën voor uitwisseling.
  • Bevat nucleoli die zichtbaar kunnen zijn.
  • Leidt stofwisselingsprocessen, bevat chromatine voor chromosomenvorming bij celdeling.
  • Chromosomencompelx bestaat uit 22 paar chromosomen (autosomen)  en een paasr gelsachtschromosomen (heterosomen)

Wat zijn de componenten van het cytoplasma (protoplasma)) en hun functies?

  • Koolstof: Belangrijk element.
  • Waterstof: Essentieel element.
  • Water: 65-70%, lost zouten, suikers, eiwitten en vetten op.
  • Zouten: Dragers van elektrische energie.
  • Suikers: Verbinden met zuurstof voor energie en warmte.
  • Eiwitten: Vorming specifieke structuren.
  • Vetten: Opslag energie.

Wat zijn enkele belangrijke structuren in het protoplasma en hun functies?

  1. Endoplasmatisch reticulum: Eiwitverbindingen.
  2. Golgi-apparaat: secreetfunctie van de cel  (celuitscheiding).
  3. Centriolen: celdeling en beweging in cytoplasma.
  4. Mitochondriën: Dragers ademhalingsenzymen.
  5. Lysosomen: Enzymen voor afbraak moleculen.
  6. Ribosomen: Eiwitaanmaak (koppelen juiste aminozuren)

Wat gebeurt er tijdens de celdeling (mitose) en wat zijn de verschillende fasen?

  • Nieuwe cellen ontstaan voor voortplanting, groei en vervanging beschadigde cellen.
  • Levenscyclus fasen:
  1. Groeifase: Aanmaak organellen.
  2. Functionele fase: Specifieke functievervulling.
  3. Delingsfase: Celvermenigvuldiging.

Wat gebeurt er tijdens de kerndeling (myose) voorafgaand aan de eerste celdeling?

Voorafgaand aan de eerste celdeling vindt myose plaats waarbij:
  • De kern oplost en chromatiek zich in draden vormt.
  • Menselijke cellen bevatten 46 chromosomen (23 paar).
  • Elk chromosoomdeel heeft een identieke nieuwe chromosoom.
  • Voortplantingscellen bevatten 23 chromosomen (na samensmelting eicel-zaadcel 46)
  • De 44 autosomen dragen erfelijke informatie.
  • Het heterosoom bepaalt het geslacht.

Hoe beïnvloeden chromosomen het geslacht van een kind?

Het geslacht van een kind wordt bepaald door:
  • Combinatie van eicellen en zaadcellen.
  • Eicel (22 + X) en zaadcel (22 + X) resulteert in XX = meisje.
  • Eicel (22 + X) en zaadcel (22 + Y) resulteert in XY = jongen.
  • Bepaald door het heterosoom: X- of Y-chromosoom.

Welke kenmerkende eigenschappen heeft een cel?

Een cel heeft de volgende kenmerkende eigenschappen:
  • Groei en deling (voortplanting).
  • Prikkelbaarheid.
  • Geleidbaarheid.
  • Samentrekbaarheid.
  • Opbouw- en afbraakprocessen (stofwisseling).
  • Uitscheiding.
  • Ademhaling.

Wat gebeurt er met een cel zonder kern stof?

Een cel zonder kernstof, zoals een rode bloedcel:
  • Heeft een levensduur van ongeveer ±120 dagen.
  • Rood bloedcellen verliezen kern en specifieke functies.
  • Volgen een levenscyclus met begrensde tijd.

De vragen op deze pagina komen uit de samenvatting van het volgende studiemateriaal:

  • Een unieke studie- en oefentool
  • Nooit meer iets twee keer studeren
  • Haal de cijfers waar je op hoopt
  • 100% zeker alles onthouden
Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.
Trustpilot-logo