Interesses
33 belangrijke vragen over Interesses
Welke vroegere definitie over interesses sluit nu het minste aan?
A. Luken (1995) heeft het over wat men leuk vindt om te doen in een bepaalde omgeving
B. Hogan en Roberts (2002) noemen Interesse als de indirecte weergave van iemands identiteit die het beste wordt weergegeven door te kijken naar motieven, doelen, waarden en aspiraties.
C. Ackerman en Heggestad (1997) noemen trait complexes:
clustering van cognitieve, non-cognitieve eigenschappen om verschillen tussen mensen te omschrijven
A sluit het minste aan want interesses gaan verder dan alleen het plezier
hebben in iets. De huidige definitie betreft:
• Stabiele, langdurige aandacht voor een bepaald object en/of omgeving
• Een gevoel van nieuwsgierigheid en volharding in het betrokken zijn bij taken en activiteiten die met het object/omgeving in verband staan
• Ongeacht of dit ingewikkeld of onduidelijk is
Wat is juist?
I Aanleg is behoorlijk bepalend bij interesses
II Ervaringen zijn behoorlijk bepalend bij interesses
I is juist, ervaringen kunnen wel invloed uitoefenen op de ontwikkeling van interesses.
Wat is juist?
A. Intrinsieke werkwaarden zijn belangrijkst tijdens middelbare schooltijd, daarna pas meer waarde voor extrinsieke (en sociale en status) werkwaarden
B. Prenatale blootstelling aan testosteron zet het begin voor mannelijke interesseontwikkeling
C. Persoonlijkheidseigenschappen en interesses kunnen veranderen
D. Alle antwoorden zijn juist
A sluit het minste aan want interesses gaan verder dan alleen het plezier hebben in iets. De huidige definitie betreft:
• Stabiele, langdurige aandacht voor een bepaald object en/of omgeving
• Een gevoel van nieuwsgierigheid en volharding in het betrokken zijn bij taken en activiteiten die met het object/omgeving in verband staan
• Ongeacht of dit ingewikkeld of onduidelijk is
- Hogere cijfers + sneller leren
- Niets twee keer studeren
- 100% zeker alles onthouden
Wat zijn de drie kenmerken van beroepsinteresses?
1. Interesses hebben de kenmerken van een trait: stabiele eigenschappen over tijd en situaties
2. Beroepsinteresses zijn gebonden aan werkomgeving (object) en richten zich op het uitvoeren van voorkeursactiviteiten die samenhangen met de werkomgeving
3. (beroeps)interesses beïnvloeden werkgedrag, verhogen de motivatie om werkactiviteiten uit te voeren en het zoeken naar mogelijkheden om relevante kennis en vaardigheden voor het uitvoeren van die activiteiten te vergroten.
Wat is juist?
I Aanleg is behoorlijk bepalend bij interesses
II Ervaringen zijn behoorlijk bepalend bij interesses
I is juist, ervaringen kunnen wel invloed uitoefenen op de ontwikkeling van interesses.
Wat is onjuist?
A. Verschillen tussen personen in interesses zijn redelijk stabiel en stabieler dan personenpersoonlijkheidseigenschappen
B. Interesses binnen personen zijn stabieler dan tussen personen
C. In de volwassenheid is er meer belangstelling voor onderzoekende, artistieke, sociale en ondernemende interesses
D. Realistische en conventionele interesses stijgen in de volwassenheid bij mannen
Wat is juist?
A. Intrinsieke werkwaarden zijn belangrijkst tijdens middelbare schooltijd, daarna pas meer waarde voor extrinsieke (en sociale en status) werkwaarden
B. Prenatale blootstelling aan testosteron zet het begin voor mannelijke interesseontwikkeling
C. Persoonlijkheidseigenschappen en interesses kunnen veranderen
D. Alle antwoorden zijn juist
D is juist.
Interesses sturen perceptie, richten de aandacht en verdiepen cognitieve verwerking. Interesses zijn sterk verbonden met zelfconcept en sociale rollen.
De socioculturele context bepaalt hoe mensen hun interesses vormgeven via scrips, normen, narratieven/verhalen en (gender)rollen.
Wat is juist?
A. Interesses hebben altijd een object
B. Items van vragenlijsten gaan over een activiteit en een (doel)object
C. Interesses zijn voorspellend voor gedrag in de omgeving
D. Bovenstaande antwoorden zijn juist
D is juist. Interesse in een object is dat je geïnteresseerd bent in iets, dat is altijd zo bij een interesse. Je bent niet alleen maar geïnteresseerd zoals dat je extravert bent (verschil met persoonlijkheidskenmerken)
Wat is juist?
A. De definitie van interesse is tegenwoordig: wat vind ik leuk om te doen en waar?
B. De vraag: wat bepaald welk gemotiveerd gedrag mensen vertonen, in welke omgeving, met welke inspanning en hoelang? Past bij interesse definitie
C. Beide zijn juist
B is juist. A is onjuist, dit was de vroegere zienswijze, dit is beperkt cognitief, nu is het een complex cognitief-emotioneel-gedragsgerichte
identiteitsomschrijving (complex samenspel van hoe, wat, waar-vragen met eigenschappen en interacties).
Jan is timmerman, welke interesse heeft hij?
a. Realistisch
b. Intellectueel
c. Ondernemend
Piet heeft vaste principes en houdt hier stevig aan vast op zijn werkplek, welke interesse heeft hij?
a. Realistisch
b. Ondernemendc. Conventioneel
RIASOC-model van Holland beschrijft interesses, welke?
- Realistische interesse bv. werken met dingen, apparaten of
- buitenwerkzaamheden
- Intellectuele interesse bv. wetenschappelijke activiteiten zoals analyse
- of observatie
- Artistieke interesse bv. schrijven, visuele en uitvoerende kunsten
- (dama/muziek/dans), willen maken mooie dingen
- Ondernemende interesse bv. activiteit, mensen willen aansturen om
- doelen te bereiken, iets (willen) ondernemen
- Sociale interesse bv. willen helpen van mensen
- Conventionele interesse bv. willen werken in goed en duidelijk
- gestructureerde zakelijke omgevingen volgens vaste principes en regels
Wat is onjuist?
A. Hollands RIASOC-model is een factorieel model
B. In het Hollands RIASOC-model komen beroepen,
werkomgeving en werkculturen samen
C. De HZO kunnen cliënten zelf invullen en scoren
D. De HZO leidt tot de beste voorspellingen
D is onjuist, dit is niet altijd zo vanwege de ruwe scores en het zelf kunnen scoren.
Het vinden van een congruente match tussen persoon en omgeving staat centraal in Hollands RIASOC-model. Bij voldoende congruentie (zo hoog
mogelijk is streven) vormen interesses een drijvende kracht achter korte en lange termijn prestaties in werk en studie-omgevingen.
Correleren aansluitende dimensies hoger dan tegenover liggende dimensies van RIASOC-model?
Aansluitende correleren hoger. Volgens Holland zijn interesses een integraal onderdeel van persoonlijkheid. De dimensies overlappen met de Big Five dimensies.
Hoge consistentie: positievere en stabielere uitkomst
Hogere differentiatie: één dimensie is dominant en de uitkomst voorspelbaarder.
Hoe ziet het RIASOC-model eruit?
- Conventionele types scoren hoog op conformiteit en artistieke types juist laag
- Sociale types scoren hoog op sociabiliteit en laag op conformiteit
- Artistieke types hebben een omgeving nodig van vrijheid Ondernemende types hebben een omgeving met financiële mogelijkheden nodig
Het is een cirkel waarbij de dimensies tegenover elkaar gezet worden: dingen en mensen en data en ideeën (door Prediger). De pizzapunten beschrijven de
dimensies van Holland.
Noem aannames van Holland die ten grondslag liggen onder zijn RIASOC-model
• Mensen zoeken een werkomgeving waarin ze hun interesse kunnen laten zien.
• Dit doen ze met anderen die de interesse delen.
Beide punten zijn person-environment fit-benadering
Werkprestaties worden gestimuleerd doordat mensen langer in omgeving willen zijn waar werkomgeving is waar gezamenlijke interesse naar voren komt.
RIASOC-model van Holland wordt toegepast met het Hollands Zelfonderzoek (HZO). Hoe wordt dit gedaan?
De HZO is een loopbaankeuze instrument die op grond van theorie van Holland ontwikkeld is.
De HZO bevat vragen over:
1. Activiteiten (wat wil ik doen)
2. Beroepen (welk beroep lijkt mij aantrekkelijk)
3. Vaardigheden die ik denk te hebben
4. Eigenschappen die ik denk te hebben
Er ontstaan vier deelscores en een totaalscore per dimensie waarbij de drie hoogst gescoorde dimensies als profiel worden genomen
Hoeveel punten verschil moet er zijn om te bepalen dat de meetfoutenvariantie een te groot aandeel heeft gehad in het scoreverschil?
A. 5
B. 7
C. 8
C is juist. Dit betreft verschil op een totale samengestelde interessescore.
Andere kenmerken:
• Verder heeft normeren en beperkte waarde.
• Er zijn geen eenduidige oplossingen want het ziet er ook bij iedereen anders uit.
• Bij grote verschillen in resultaten kan counseling nodig zijn of bij zeer vlakke en lage uitkomst kan depressie mogelijk een rol spelen dan is ook counseling nodig.
Wat moet vooropstaan bij HZO-gebruik?
Een benadering van maximale exploratie van interesses, situatie, persoonlijkheid en de mogelijkheden van de cliënt
Wat zijn de drie doelstellingen voor HZO-gebruik?
1. Onderzoeken mogelijkheden
2. Zekerheid bieden over loopbaankeuze
3. Vergroten van zelfkennis
Hier staan kritiekpunten van Holland. Welke is onjuist?
A. Hij had korte vragenlijsten waarvoor hulp van counselor niet nodig was
B. Er waren zorgen over sekse-biased vragenlijsten
C. Onderzoek naar validiteitsgeneralisatie van schalen is nodig
D. Predictieve validiteit kan beter
E. Vragenlijsten moeten toegankelijker gemaakt worden voor gebruikers
E is onjuist, dit deed Holland al middels computer en toegankelijkheid voor minderheidsgroepen en ouderen. Het invullen van de vragenlijst was een vrij
ontspannende bezigheid.
D kan door gegevens over loopbaanwensen en loopbaangeschiedenis op te nemen volgens Holland.
Uit onderzoek blijken sekseverschillen te bestaan als het gaat om interesses. Wat is volgens de auteurs van het hoofdstuk over interesses misschien wel het grootste verschil ooit gevonden tussen mannen en vrouwen op het gebied van interesseverschillen?
Het verschil in interesse in dingen (mannen) V.S. interesse in mensen (vrouwen) (verder over algemeen stereotiep betreft: vrouwen meer interesse in artistieke en sociale beroepen en mannen meer in wetenschappelijke, technische of mechanische activiteiten)
Gemeten interesses zijn afhankelijk van socialisatie-ervaringen van mannen en vrouwen.
Holland hanteert de socialisatie benadering, wat betekent dit? (gender restrictieve scoring)
Holland wil geen sekseverschil in interessevragenlijsten zien. Maar dit leidt tot
sekse-stereotype antwoorden waarbij vrouwen hoger scoren op sociale bezigheden en mannen op dingen.
Wat betekent de exploratieve benadering?
(gender balanced scoring)
Het beperken van sekseverschillen bij schalen en scoren van testen waarbij items met een groot verschil tussen m-v aangepast of verwijderd worden. Er zijn twee mogelijkheden:
• Aparte normen voor mannen en vrouwen (wel verschillende behandeling dan)
• Controleren van sekseverschillen op itemniveau
Hoe kunnen interesseverschillen tussen mannen en vrouwen teruggedrongen worden in een eerlijkere arbeidsmarkt?
Via het “Controleren van sekseverschillen op itemniveau” Gender balanced scoring is even hoog of hoger dan gender restrictieve scores.
Ook verhoogde validiteit
Wat is juist over veranderingen gedurende de tijd/levensloop?:
a) Als mannen ouder worden scoren ze hoger op artistieke interesse en vrouwen juist minder.
b) De social interesse van mannen gaat omhoog
c) De interesse in dingen ondernemen gaat bij vrouwen omhoog.
d) Alles is juist
D is juist. Bij culturen met meer expressie van persoonlijkheid ontstaan er grotere sekseverschillen
Wat is onjuist?
A. Er bestaat een unificerende dimensionele benadering
B. Interesses zijn een belangrijke voorspeller van werkprestaties
C. Het is belangrijk om tot een actuele dimensieaanpassing te komen vanwege inhoudelijke werkverandering
A is onjuist dit verschilt bv. tussen Holland met zes en Prediger met 2.
C dit is gepoogd met het SETPOINT-model
Welke acht interessedimensies omvat het SETPOINT-model?
• Health Science (wetenschappelijk)
• Creative Expression (artistiek)
• Technology (technologisch)
• People (mensgericht)
• Organization (gestructureerd)
• Influence (invloed uitoefenen)
• Nature (natuur, ecologie interesse)
• Things (mechanica, constructie en transport).
Waar staan de P en de O voor in het SETPOINT-model?
Wat is de toegevoegde waarde van het SETPOINT-model voor diagnostiek?
scheppen banen vormen.
Aandachtspunt is wel de verschillen van interessemodellen tussen culturen:
Het RIASOC-model ligt aan de basis van veel interessevragenlijsten en het
SETPOINT-model is een recente wijziging van dit model. Het is een uitbreiding van 6 naar 8 schalen. SETPOINT is integratie van Big Five in de RIASOC.
Als lesgeven in Social Work je interesse heeft dan is dit een:
A. Interesse item
B. Basis interesse schaal
C. Overkoepelende interesse schaal
Als sociale thema’s je aanspreken in werk, activiteiten en settingen dan spreek je van een:
A. Interesse item
B. Basis interesse schaal
C. Overkoepelende interesse schaal
Wat is onjuist?
A. Het belangrijkste doel van interessevragenlijsten is exploreren en faciliteren van loopbaanontwikkelingskeuzes
B. De meeste HRM-organisaties hebben zelf
interessevragenlijsten ontwikkeld die min of meer lijken op het SETPOINT-systeem
C. De nadruk moet komen te liggen op onderzoek naar dynamische rol van interesses binnen organisaties
D. Interessetests geven inzicht in hoe loopbaanontwikkeling, prestaties en het welzijn van werknemers beïnvloed worden
D is onjuist, het hoe moet nog onderzocht worden.
Toevoeging A: dit maakt het geschikt voor loopbaanontwikkeling en selectiedoeleinden.
Bij oriëntatie, selectie, ontwikkelingsvraagstukken en loopbaanassessments kunnen interessevragenlijsten een cruciale rol vervullen.
De vragen op deze pagina komen uit de samenvatting van het volgende studiemateriaal:
- Een unieke studie- en oefentool
- Nooit meer iets twee keer studeren
- Haal de cijfers waar je op hoopt
- 100% zeker alles onthouden















