Pandrecht op (deelbare) prestaties - Literatuur - Theoretisch kader in bijeenkomst

7 belangrijke vragen over Pandrecht op (deelbare) prestaties - Literatuur - Theoretisch kader in bijeenkomst

Vraag:
Wat is het verschil tussen het ontstaansmoment van een vordering en het moment waarop deze opeisbaar wordt in het vermogensrecht?

Het ontstaansmoment van een vordering ziet op het moment waarop een verbintenis ontstaat en de schuldeiser juridisch gerechtigd wordt tot een prestatie van de schuldenaar. In beginsel ontstaat een verbintenis reeds bij het tot stand komen van de overeenkomst door aanbod en aanvaarding. Het moment van opeisbaarheid betreft daarentegen het tijdstip waarop de schuldeiser de prestatie daadwerkelijk kan afdwingen. Een vordering kan dus reeds bestaan zonder dat zij opeisbaar is. Opeisbaarheid kan contractueel worden uitgesteld, bijvoorbeeld wanneer betaling in termijnen plaatsvindt, afhankelijk wordt gemaakt van een bepaalde gebeurtenis of wordt gekoppeld aan het verrichten van bepaalde deelprestaties.

Waarom is het onderscheid tussen het ontstaan van een vordering en de opeisbaarheid van die vordering van belang bij overeenkomsten waarbij prestaties in de tijd worden verricht?

Bij overeenkomsten waarbij prestaties in de tijd worden verricht, zoals bij duurovereenkomsten of overeenkomsten met deelprestaties, kan een vordering reeds ontstaan terwijl de schuldeiser de prestatie nog niet kan afdwingen. Het onderscheid is daarom relevant omdat het ontstaansmoment bepaalt of een vordering juridisch bestaat, terwijl de opeisbaarheid bepaalt of de schuldeiser nakoming kan verlangen. In dergelijke overeenkomsten kan de opeisbaarheid bijvoorbeeld afhankelijk worden gemaakt van het verstrijken van een termijn, het intreden van een bepaalde gebeurtenis of het verrichten van specifieke deelprestaties. Hierdoor kan een bestaande vordering gedurende een bepaalde periode nog niet afdwingbaar zijn.

Vraag:
Welke twee benaderingen kunnen worden onderscheiden bij het bepalen van het ontstaansmoment van vorderingen bij overeenkomsten met gefaseerde prestaties?

Antwoord:
Bij overeenkomsten waarbij prestaties gefaseerd worden verricht, kunnen twee benaderingen worden onderscheiden. Enerzijds kan worden aangenomen dat bij het sluiten van de overeenkomst één vordering voor het geheel ontstaat, waarvan de opeisbaarheid slechts in delen wordt gespreid. Anderzijds kan worden aangenomen dat iedere afzonderlijke prestatie een nieuwe vordering doet ontstaan, zodat de vordering telkens ontstaat na het verrichten van een specifieke deelprestatie. Welke benadering moet worden gevolgd, hangt af van de aard en inhoud van de betreffende overeenkomst.
  • Hogere cijfers + sneller leren
  • Niets twee keer studeren
  • 100% zeker alles onthouden
Ontdek Study Smart

Vraag:
Wanneer ontstaat volgens de Hoge Raad een loonvordering bij een geneeskundige behandelingsovereenkomst?

Antwoord:
Bij een geneeskundige behandelingsovereenkomst ontstaat de vordering tot betaling van loon in beginsel nadat de overeengekomen werkzaamheden zijn verricht. Indien binnen de uitvoering van de overeenkomst meerdere identificeerbare en op geld waardeerbare deelprestaties kunnen worden onderscheiden, ontstaat na voltooiing van ieder van die deelprestaties een afzonderlijke loonvordering. Dit volgt uit HR 17 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2901 (Famed/Kreikamp q.q.), waarin de Hoge Raad oordeelde dat bij dergelijke overeenkomsten iedere verrichte deelprestatie een eigen loonvordering kan doen ontstaan, tenzij partijen anders zijn overeengekomen.

Vraag:
Welke betekenis heeft publiekrechtelijke regelgeving over declaraties voor het ontstaansmoment van civielrechtelijke loonvorderingen bij medische behandelingen?

Antwoord:
Publiekrechtelijke regelgeving die bepaalt wanneer een medische behandeling kan worden gedeclareerd, heeft geen invloed op het civielrechtelijke ontstaansmoment van de loonvordering. De civielrechtelijke vordering ontstaat zodra de overeengekomen werkzaamheden of identificeerbare deelprestaties zijn verricht. Dat de declaratie op grond van publiekrechtelijke regels pas later kan plaatsvinden, staat daarom niet in de weg aan het eerder ontstaan van de civielrechtelijke loonvordering. Dit volgt uit HR 17 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2901 (Famed/Kreikamp q.q.).

Onder welke voorwaarden kunnen toekomstige vorderingen bij voorbaat worden verpand op grond van art. 3:239 BW?

Antwoord:
Toekomstige vorderingen kunnen bij voorbaat worden verpand indien zij voortvloeien uit een reeds bestaande rechtsverhouding en voldoende bepaalbaar zijn. Dit betekent dat op het moment van vestiging van het pandrecht de rechtsverhouding waaruit de vordering zal ontstaan al moet bestaan, terwijl de vordering zelf pas later kan ontstaan. Daarnaast moet de vordering zodanig bepaalbaar zijn dat kan worden vastgesteld op welke vorderingen het pandrecht betrekking heeft. Wanneer aan deze vereisten is voldaan, kan het pandrecht reeds worden gevestigd voordat de vordering daadwerkelijk ontstaat.

Vraag:
Waarom kan een verpanding bij voorbaat van een vordering die pas tijdens faillissement ontstaat in beginsel geen werking krijgen?

Antwoord:
Een verpanding bij voorbaat vereist dat het pandrecht tot stand komt op het moment dat de betreffende vordering ontstaat. Indien de vordering pas tijdens het faillissement ontstaat, ontbreekt op dat moment de beschikkingsbevoegdheid van de schuldenaar, omdat deze op grond van art. 23 Fw door de faillietverklaring is verloren. Art. 35 Fw verhindert daarom dat een pandrecht dat afhankelijk is van een latere beschikkingshandeling alsnog tot stand komt nadat het faillissement is ingetreden. Hierdoor kan een eerder overeengekomen verpanding bij voorbaat geen werking krijgen wanneer de vordering eerst tijdens het faillissement ontstaat.

De vragen op deze pagina komen uit de samenvatting van het volgende studiemateriaal:

  • Een unieke studie- en oefentool
  • Nooit meer iets twee keer studeren
  • Haal de cijfers waar je op hoopt
  • 100% zeker alles onthouden
Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.
Trustpilot-logo