Literatuur - Asser/Sieburgh 6-III 2022/541-560 - Kwalitatieve rechten

12 belangrijke vragen over Literatuur - Asser/Sieburgh 6-III 2022/541-560 - Kwalitatieve rechten

Vraag: Wat houdt vereiste c van art. 6:251 lid 1 BW (het belangcriterium) in?

Antwoord: Het recht moet in zodanig verband staan met het goed dat de schuldeiser bij dat recht slechts belang heeft zolang hij het goed behoudt; dit rechtvaardigt dat het recht van rechtswege overgaat op de verkrijger.

Vraag: Waarom is het belangcriterium van vereiste c noodzakelijk?

Antwoord: Omdat zonder overgang noch de vervreemder noch de verkrijger vaak nog nakoming kan vorderen wegens gebrek aan belang (art. 3:303 BW), wat zou leiden tot ongerechtvaardigde bevoordeling van de schuldenaar; cessie biedt daarvoor geen afdoende oplossing.

Vraag: Hoe wordt vereiste c toegepast in de praktijk?

Antwoord: Het hangt af van de omstandigheden: rechten die functioneel verbonden zijn met het goed of de onderneming (zoals een concurrentiebeding of recht op levering van grondstoffen) gaan mee over, terwijl rechten waarbij de vervreemder een eigen belang behoudt (zoals een vordering tot vergoeding van reeds geleden schade) niet overgaan, tenzij de schade niet bij de vervreemder is blijven rusten.
  • Hogere cijfers + sneller leren
  • Niets twee keer studeren
  • 100% zeker alles onthouden
Ontdek Study Smart

Vraag: Wat houdt vereiste d van art. 6:251 lid 1 BW in?

Antwoord: Het recht moet voor overgang vatbaar zijn; overdracht mag niet zijn uitgesloten door een beding tussen partijen en mag ook niet door de aard van het recht onmogelijk zijn (art. 3:83 BW).

Vraag: Noem voorbeelden van rechten die niet voor overgang vatbaar zijn in de zin van art. 6:251 BW.

Antwoord: Rechten met een persoonlijk karakter, zoals het recht op bedongen arbeid uit een arbeidsovereenkomst, het gebruiksrecht van de huurder, een persoonlijk concurrentiebeding of een persoonlijk verleend wandelrecht over andermans grond.

Vraag: Wat gebeurt er als aan alle vier de vereisten van art. 6:251 BW is voldaan en welke bescherming geldt voor de verkrijger?

Antwoord: Het recht gaat van rechtswege mee over met het goed, tenzij vervreemder en verkrijger anders bepalen of de verkrijger de overgang weigert; deze weigering kan hem niet contractueel worden ontnomen en beschermt hem tegen onbekende verplichtingen.

Vraag: Wat gebeurt er met de tegenprestatie als een kwalitatief recht overgaat op grond van art. 6:251 BW?

Antwoord: Indien voor het kwalitatieve recht een tegenprestatie is overeengekomen, gaat de verplichting tot die tegenprestatie mee over op de verkrijger voor zover zij betrekking heeft op de periode na de overgang, terwijl de vervreemder binnen zekere grenzen hoofdelijk verbonden blijft.

Vraag: Hoe moet art. 6:251 lid 2 BW worden uitgelegd ten aanzien van de tegenprestatie bij een kwalitatief recht?

Antwoord: De verplichting tot de tegenprestatie gaat over op de verkrijger voor zover zij betrekking heeft op prestaties die na de overgang worden verricht; dit geldt niet alleen voor periodieke prestaties, maar ook voor eenmalige prestaties zoals levering of aanneming die na de overdracht plaatsvinden.

Vraag: Wat is het gevolg van art. 6:251 lid 2 BW bij wederkerige overeenkomsten met een kwalitatief recht?

Antwoord: Niet alleen het kwalitatieve vorderingsrecht, maar ook de verplichting tot het verrichten van de bijbehorende tegenprestatie gaat over op de verkrijger, voor zover die prestatie ziet op de periode na de overgang.

Vraag: Leidt de overgang van een kwalitatief recht met bijbehorende tegenprestatie op grond van art. 6:251 BW tot volledige contractsovergang, en wat zijn daarvan de rechtsgevolgen?

Antwoord: Nee, de verkrijger wordt geen partij bij de oorspronkelijke overeenkomst tussen vervreemder en wederpartij. Er ontstaat een nieuwe wederkerige rechtsbetrekking waarop de regels inzake opschorting en ontbinding overeenkomstig van toepassing zijn, terwijl ontbinding of vernietiging van de oorspronkelijke overeenkomst alleen jegens de vervreemder kan worden ingeroepen.

Vraag: Hoe is de aansprakelijkheid van de vervreemder geregeld bij overgang van de verplichting tot de tegenprestatie op grond van art. 6:251 lid 2 BW, en in welke situaties speelt deze aansprakelijkheid een rol?

Antwoord: Op grond van art. 6:251 lid 2 BW blijft de vervreemder naast de verkrijger hoofdelijk aansprakelijk voor de tegenprestatie (vgl. art. 6:6 lid 2 BW) ter bescherming van de wederpartij. Deze aansprakelijkheid speelt met name wanneer de wederpartij als eerste moet presteren en zich bij uitblijven van de tegenprestatie niet kan bevrijden door opschorting of ontbinding van de overeenkomst.

Vraag: Is de vervreemder op grond van art. 6:251 lid 2 BW aansprakelijk voor de tegenprestatie indien de overeenkomst na overgang door de verkrijger wordt beëindigd (bijvoorbeeld bij opdracht of aanneming)?

Antwoord: Nee. Indien de overeenkomst door de verkrijger wordt beëindigd (bijvoorbeeld op grond van art. 7:408 BW bij opdracht of art. 7:764 BW bij aanneming), komt het niet tot de prestatie van de wederpartij, zodat de vervreemder niet aansprakelijk is voor de tegenprestatie. De aansprakelijkheid van art. 6:251 lid 2 BW strekt slechts tot bescherming van de wederpartij voor zover zij vóór de verkrijger moet presteren.

De vragen op deze pagina komen uit de samenvatting van het volgende studiemateriaal:

  • Een unieke studie- en oefentool
  • Nooit meer iets twee keer studeren
  • Haal de cijfers waar je op hoopt
  • 100% zeker alles onthouden
Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.
Trustpilot-logo