Goederenrecht - Goederenrecht , nrs 482, 483, 486, 489, 493, 494

97 belangrijke vragen over Goederenrecht - Goederenrecht , nrs 482, 483, 486, 489, 493, 494

Nr. 483: wat is borgtocht?

Borgtocht is een overeenkomst tussen een derde (de borg) en de schuldeiser, waarbij de borg zich tegenover de schuldeiser verbindt tot nakoming van een verbintenis die de debiteur (de hoofdschuldenaar) tegenover de schuldeiser heeft of zal verkrijgen. Art. 7:850.

Nr. 483: wat is een performance bond?

Deze komt vaak voor in het kader van aannemingscontracten en leveranties van kapitaalgoederen. Wanneer de garantie strekt tot zekerheid voor de nakoming van verplichtingen welke uit een overeenkomst voortvloeien, spreekt men daarvan.

Nr 489: wat is eigendomsvoorbehoud en waar vind ik het?

Onder eigendomsvoorbehoud wordt verstaan een beding in een titel tot overdracht van een zaak met de strekking dat de eigendom van die zaak ondanks aflevering wordt voorbehouden door de vervreemder totdat de door de verkrijger verschuldigde prestatie is voldaan.

3:92 BW.
  • Hogere cijfers + sneller leren
  • Niets twee keer studeren
  • 100% zeker alles onthouden
Ontdek Study Smart

Nr. 493: Bij eigendomsvoorbehoud, 3:92 BW, wie is dan de rechthebbende van een zelfstandig en overdraagbaar goederenrechtelijk vermogensrecht, zolang na een overdracht onder eigendomsvoorbehoud de opschortende voorwaarde NIET is vervuld?

Zowel de vervreemder als de verkrijger, 3:6 BW.
Zij zijn ieder voorwaardelijk eigenaar, de vervreemder onder ontbindende voorwaarde en de verkrijger onder opschortende voorwaarde.

P 431 boek, bij eigendomsvoorbehoud, arrest Puinbreker

Voeg nog in excel

Nr. 493: langs welke weg vindt de overdracht door vervreemder van zijn eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde plaats?

Is sprake van een voorwaardelijke of onvoorwaardelijke levering?

Langs de gewone we van 3:84 jo 3:90 BW.
Er is sprake van een ONvoorwaardelijke levering, slechts het OBJECT van die levering is voorwaardelijk.

Nr. 493: Welke twee leveringsvormen zijn mogelijk bij eigendomsvoorbehoud als de zaak zich feitelijk onder de koper bevindt?

De levering cp. En de levering longa manu.

Levering cp: Verkoper A verklaart in het vervolg te houden voor C. De zaak blijft feitelijk bij koper B, die op zijn beurt blijft houden voor A. Levering speelt zich geheel af tussen A en C. Let op: B hoeft hiervan NIET op de hoogte te zijn.

Levering longa manu: Rol van B is nu een constitutieve: levering vindt plaats doordat B de overdracht erkent of deze hem wordt meegedeeld.

Nr. 494: Wat verkrijgt de verkrijger onder eigendomsvoorbehoud?

Een zelfstandig en voor beschikking vatbaar vermogensrecht, 3:6 BW (net als de vervreemder). Zolang de opschortende voorwaarde NIET is vervuld, is de verkrijger eigenaar onder opschortende voorwaarde van voldoening van de prestatie.

Hij kan over dit voorwaardelijk eigendomsrecht beschikken.

Nr. 494: Volgens de HR vindt de vervreemding of bezwaring van het voorwaardelijk eigendomsrecht plaats op de wijze zoals die is voorzien voor de levering respectievelijk bezwaring van de zaken zelf. Wat kan hieruit worden afgeleid?

Hieruit kan worden afgeleid dat de levering van het voorwaardelijk eigendomsrecht plaatsvindt op de wijze als in 3:90.1 is bepaald, te weten door verschaffing van het bezit van het voorwaardelijk eigendomsrecht.

Dit komt neer op middellijke of ONmiddellijke verschaffing van de feitelijke macht over de zaak waarop de voorwaardelijke eigendom betrekking heeft.

Nr. 494: dat de verkrijger onder eigendomsvoorbehoud slechts een voorwaardelijk eigendomsrecht verwerft en hij derhalve NIET in staat is tot overdracht of bezwaring van het onvoorwaardelijk eigendomsrecht op de zaak, belet hem niet om over .. (vul aan)

(het eigendomsrecht op) deze zaak als een TOEKOMSTIGE zaak bij voorbaat te beschikken: hij kan de onder eigendomsvoorbehoud verkregen zaak bij voorbaat leveren of verpanden.

>De overdracht of bezwaring door de eigendomsvoorbehoudkoper ten behoeve van de derde krijgt dan haar beslag zodra de tegenprestatie aan de verkoper onder eigendomsvoorbehoud wordt voldaan. 

Nr. 504: over de terminologie, men spreekt wanneer schuldenaar en pandgever NIET dezelfde persoon zijn van derdenpand. Hoe zit dat?

Bij het pandrecht betrokken zijn enerzijds de pandgever en anderzijds de pandhouder (ook wel: de pandnemer).

De pandgever = degene wiens goed met het pandrecht is bezwaard
De pandhouder = degene die het pandrecht verkrijgt.

Let op: de pandgever behoeft niet altijd tevens de schuldenaar van de gedekte vordering te zijn. 

Nr. 505 Wat voor rechten zijn pand en hypotheek?

Waartoe strekken zij?

3:8 BW, het zijn in de eerste plaats beperkte rechten, dat wil zeggen rechten die zijn afgeleid uit een moederrecht.

Zij strekken tot verhaal, MET VOORRANG.

Nr. 505: waar verschillen de pand- en hypotheekhouder van de gewone schuldeiser?

Zij hebben het recht van parate executie, zie 3:248 en 3:268.

Nr 505: wat betreft het aspect voorrang, hoe verhoudt zich dat tot de regel uit 3:277, dat alle schuldeisers onderling een gelijk recht hebben om uit de netto-opbrengst van de goederen van hun schuldenaar te worden voldaan naar evenredigheid van ieders vordering?

Dat pand en hypotheek dus een wettelijke uitzondering hierop vormen. Zij gaan BOVEN voorrecht, tenzij de wet anders bepaald, zie 3:279.

Nr. 506: wat wordt met het conventionaliteitsbeginsel bij pand en hypotheek bedoeld?

In de regel berust de totstandkoming van pand en hypotheek op wilsovereenstemming tussen partijen, zowel voor wat betreft de titel die aan de vestiging van het recht ten grondslag ligt, als voor wat betreft die vestiging zelf.

Dat wordt met dit beginsel bedoeld

Nr. 506: welke uitzonderingen maakt de wet op het conventionaliteitsbeginsel?

1. Het is denkbaar dat de verplichting tot zekerheidsstelling niet voortkomt uit overeenkomst, maar uit de wet.
>Voorbeeld: verplichting van curator om zekerheid te stellen wanneer hij verklaart een wederkerige overeenkomst gestand te doen (art. 37 Fw)
en aan de verplichting van de vruchtgebruiker om zekerheid te stellen voor de nakoming van zijn verplichtingen jegens de hoofdgerechtigde (3:206)

2. Er zijn enkele gevallen waarin het zekerheidsrecht van rechtswege ontstaat.
Zie het nr, maar een voorbeeld is het ontstaan van een pandrecht in geval van vermenging, nr. 473a.

Nr. 507: omschrijf het verschil tussen pand en hypotheek en borg als zekerheisrecht

Pand en hypotheek rusten op goederen, dat wil zeggen op zaken en rechten, 3:1.

Daarin onderscheiden zij zich van persoonlijke zekerheidsrechten zoals borgtocht.

Nr. 507: op het beginsel dat alle goederen vatbaar zijn voor bezwaring met pand of hypotheek bestaat een aantal uitzonderingen.

Welke is genoemd (BW jo Rv)?

Zie o.a. 7:633 jo 475d Rv. (verboden)

Nr. 507: wat geldt als wettelijk uitgangspunt voor pand en hypotheek om te kunnen overdragen?

Dat uitsluitend voor overdracht vatbare goederen - vorderingen daaronder begrepen - kunnen worden verpand of verhypothekeerd.

Oftewel: het is ONmogelijk om een pand- of hypotheekrecht te vestigen op een goed dat NIET overdraagbaar is.

Nr. 507: in de literatuur bestaat discussie over het antwoord op de vraag of OOK voor vorderingen geldt dat onoverdraagbaarheid ervan tevens aan verpanding in de weg staat.

Aan een ontkennend antwoord wordt ten grondslag gelegd dat de ratio van het overdraagbaarheidsvereiste in het algemeen is gelegen in de omstandigheid dat goed in geval van executie moet kunnen worden overgedragen.

Maar, waarom geldt deze ratio NIET voor vorderingen?

Deze ratio geldt echter niet voor vorderingen, omdat deze niet executoriaal plegen te worden verkocht, maar worden uitgewonnen door verhaal op het geïnde. Zie 3:255 jo 3:246 lid 5.

Nr. 507: OOK de gedachte dat verpanding een deeloverdracht is (zie nr. 469), rechtvaardigt de conclusie om aan te nemen dat onoverdraagbaarheid van de vordering aan verpanding aan de weg staat.

Wat heeft de HR hieromtrent beslist (en het voorgaande)?

Dat uit art. 3:81 lid 1 en 3:228 volgt dat alleen op voor overdracht vatbare goederen een recht van pand kan worden gevestigd, zodat een goederenrechtelijk onoverdraagbaarheidsbeding tevens leidt tot ONverpandbaarheid van die vordering.

Nr. 507, arrest Oryx/Van Eesteren ging over:

De geldigheid van de verpanding van een vordering uit een aannemingsovereenkomst waarin met zoveel woorden bepaald was dat het de aannemer verboden was zijn uit die overeenkomst voortvloeiende vorderingen zonder toestemming van de aanbesteder aan een derde te cederen of verpanden.

Nr. 507: wat stelt de HR voorop en wat overweegt het college vervolgens in het arrest Oryx/Van Eesteren?

>De HR stelt voorop dat een dergelijk contractueel overdrachtsverbod niet leidt tot beschikkingsonbevoegdheid van de crediteur, maar tot onoverdraagbaarheid van de vordering zelf.

>Het college overweegt vervolgens dat evenals een beding tot uitsluiting van overdraagbaarheid in de zin van 3:83 lid 2 ongeldigheid van de overdracht tot gevolg zou hebben, de schakelbepaling van 3:98 in dit geval meebrengt dat de vordering ten gevolge van het verpandingsverbod NIET GELDIG kon worden verpand.

(let op: geen bescherming pandhouder door 3:88 jo 3:239 lid 4 want geen sprake van onbevoegdheid die voortvloeit uit ongeldigheid vroegere overdracht)    

Nr. 507: Indien het recht van pand of hypotheek op een zaak rust, strekt het zich uit over al hetgeen de eigendom van de zaak omvat, zie 3:227 lid 2. Hierto behoren vanzelfsprekend de bestanddelen van de zaak, 3:4 BW.

   Wat wordt hiermee echter bedoeld?

Hiermee wordt bedoeld dat het zekerheidsrecht tevens alle bij de zaak behorende objecten omvat die wellicht geen bestanddeel zijn, maar wel tot de eigendom van de zaak behoren.

Voorbeeld: niet-wortelvaste bomen behoren tot de eigendom van de grond, 5:20.

Nr. 507: Kan zekerheid worden gevestigd op een aandeel in een goed?

Ja, naast 3:98 jo 3:96 en 3:240, die de regels voor vestiging van het recht op het goed van overeenkomstige toepassing verklaren, zijn hier de bepalingen van titel 3.7 (gemeenschap) bepalend.

Nr. 508: wat geldt voor toekomstige goederen, wanneer kunnen deze bezwaard worden met beperkte zekerheidsrechten?

Wat voor gevolg heeft deze regel?

Dit kan alleen voor zover het GEEN registergoederen zijn, 3:98 jo 3:97 lid 1.

Deze regel heeft tot gevolg dat een recht van hypotheek op toekomstige goederen niet mogelijk is, maar een pandrecht wel.

LET OP: Als algemeen vereiste van goederenrecht geldt dat het goed VOLDOENDE bepaald is.  

Nr. 508: Bij toekomstige goederen geldt als algemeen vereiste van goederenrecht dat het goed voldoende bepaald is. Wat wordt hieronder verstaan?

Hieronder wordt verstaan dat het goed identificeerbaar is op het tijdstip dat het door de pandgever wordt verkregen.

Voor het stil pandrecht op toekomstige vorderingen komt daar bovendien nog bij dat deze moeten worden verkregen uit een ten tijde van de verpanding bij voorbaat reeds bestaande rechtsverhouding. (nr. 545)

Nr. 509: wat wordt met substitutie bedoeld?

Ieder recht van pand of hypotheek brengt van rechtswege een recht van pand mee op alle vorderingen tot vergoeding die in de plaats treden van het verbonden goed.

Nr. 509: Worden ook vorderingen ter zake van waardevermindering van het goed begrepen onder substitutie?

Ja, zie 3:229.

Nr. 509: Indien stil verpande zaken met toestemming van de pandhouder door de pandgever onbezwaard worden verkocht en overgedragen aan een derde, komt het pandrecht NIET van rechtswege te rusten op de vordering tot betaling van de koopsom

STIL pandrecht is dus afwijkend.
Wat geldt zolang geen mededeling is gedaan voor de aansprakelijke m.b.t. Een betaling?

Zolang geen mededeling van de verpanding is gedaan, zal het hier bedoelde pandrecht moeten worden aangemerkt als een stil pandrecht en zal de aansprakelijke BEVRIJDEND kunnen betalen aan de pand- of hypotheekgever.

3:246 lid 1

> let ook op 3:229 lid 2: voor dit geval geldt een speciale voorrangsregel.

Nr. 510: wat is securering? (gesecureerde vordering)

De securering van een vordering betekent het veiligstellen van de betaling van een schuld of vordering.

Nr. 510 Volgens 3:227 strekken pand en hypotheek uitsluitend ter securering van een vordering tot voldoening van een geldsom.

Maar in de praktijk worden pand en hypotheek wel degelijk gehanteerd om andersoortige vorderingen veilig te stellen.

Hoe zit het met verhaal?

Verhaal kan dan bijvoorbeeld eerst worden genomen indien de primaire verbintenis is omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding. 6:87.

Nr. 510: Om wat voor soort vorderingen gaat het eigenljk?

Om een vordering op naam, aan order of aan toonder.

Zij kan zowel een vordering op de pand- of hypotheekgever zelf als een vordering op een ander zijn. 3:231 lid 1.

In die laatste situatie spreken we van een derdenpand of derdenhypotheek. (Nr. 513).

Nr. 510: Qua omvang strekt het recht van pand niet alleen tot waarborg van de hoofdsom, maar - behoudens andersluidend beding - ook tot waarborg van drie jaren rente die krachtens overeenkomst of wet verschuldigd is, zie 3:244.

Welke bepaling geldt voor hypotheek?

3:263 - Een soortgelijke bepaling geldt dus voor het hypotheekrecht - dit strekt in beginsel mede tot zekerheid van drie jaren wettelijke rente.

Nr. 510: bij het recht van pand is ook nog genoemd:

3:243 lid 2 'tevens strekt het tot zekerheid van kosten van behoud en onderhoud'.

Nr. 511: Kan een vordering tot zekerheid waarvan het zekerheidsrecht zal strekken ook op een toekomstige vestiging van het zekerheidsrecht zijn?

Ja, zie 3:231 lid 1.
De vordering tot zekerheid waarvan het zekerheidsrecht zal strekken, kan zwel een ten tijde van de vestiging van het zekerheidsrecht reeds bestaande als een op dat moment nog toekomstige zijn.

LET OP: in beide gevallen is vereist dat de vordering voldoende bepaalbaar is. Zie 3:231 lid 2 en 3:260 lid 1.

Nr 511: Wat is voldoende om aan te tonen dat een vordering voldoende bepaalbaar is?

Voldoende is een zodanige aanduiding dat aan de hand daarvan op het tijdstip van executie kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat.

Welke aanduiding in concreto aan deze eis voldoet, is aan de rechter ter beslissing overgelaten. In de praktijk wordt dit criterium ruim opgevat.

Nr. 511: Kan het zekerheidsrecht ter securering van een toekomstige vordering worden tegengeworpen tegen degene die beslag legt op het verbonden goed?

Ook al ontstaat de te secureren vordering pas na de beslaglegging?

Ja, het zekerheidsrecht ter securering van een toekomstige vordering neemt en behoudt rang naar de datum van vestiging, ook al zou op dat moment GEEN vordering bestaan of zou op enig later moment tijdelijk geen vordering bestaan,

Nr. 511: Hoe werkt het mbt met voorrang verhalen van vorderingen die pas ontstaan OP OF NA de dag van faillietverklaring van de zekerheidsgever?

Deze vorderingen kunnen slechts in beperkte mate met voorrang op het verbonden goed worden verhaald.

Nr. 511: Voortbordurend op het volgende:

>Voor dergelijke vorderingen kan een pandhouder staande het faillissement van zijn pandgever SLECHTS verhaal nemen op de opbrengst van de uitwinning van voorafgaand aan het faillissement gevestigde pandrechten indien:
(2 situaties noemen):

A) Die vorderingen voortvloeien uit een op de dag van de faillietverklaring reeds bestaande rechtsverhouding met de gefailleerde en;

B) Die rechtsverhouding mede door een rechtshandeling van de gefailleerde is ontstaan.

Zie voor een voorbeeld, p.452

Nr. 511: Kan de zekerheidsgerechtigde die een ongesecureerde vordering van een derde heeft overgenomen teneinde deze onder de dekking van het zekerheidsrecht te brengen, na faillietverklaring van de zekerheidsgever verhalen krachtens het zekerheidsrecht indien hij ttv overname NIET te goeder trouw was ex 54 Fw?

Nee, dat kan niet.

>Deze regel houdt verband met het in de Faillissementswet en in 3:277 verankerde beginsel van de gelijkheid van crediteuren (Paritas Creditorum)

Nr. 512: Wat wordt verstaan onder de accessoriteitsregel?

In art. 6:142 worden pand en hypotheek met zoveel woorden genoemd als voorbeelden van nevenrechten die bij overgang van de vordering van rechtswege op de nieuwe schuldeiser overgaan.

Daarnaast zijn ze afhankelijke rechten, 3:7 BW.
Het zijn rechten die zodanig aan de gezekerde vordering zijn verbonden, dat zij NIET zonder die vordering kunnen bestaan en die vordering te allen tijde volgen (3:82)

>Dus: het zekerheidsrecht gaat van rechtswege teniet wanneer de vordering tenietgaat, en volgt wanneer deze a.g.v cessie, subrogatie, vererving, boedelmenging of anderszins (mede) in eens anders vermogen geraakt.

Nr. 512: het loslaten van de accessoriteitsregel zie je (in verstrekkende toepassing) in de bankhypotheek.

Wat heeft de HR geoordeeld?

De HR heeft geoordeeld dat het antwoord op de vraag of de hypotheek - in weerwil van de hoofdregel dat zij als afhankelijk recht overgaat met de vordering waaraan zij is verbonden - uitsluitend en dus ook in geval van cessie toekomt aan degene ten behoeve van wie zij is gevestigd.

Een en ander afhankelijk van uitleg van de omschrijving van de gezekerde vorderingen in de hypotheekakte.

Nr. 513: Bij derdenpand- of hypotheek gaat het over dat niet altijd de schuldenaar en degene WIENS GOED met een pand- of hypotheekrecht is bezwaard, dezelfde is.

Wat voor voorbeeld is genoemd dat volgt uit het beginsel van droit de suite?

Heeft Schuldenaar A zijn huis bezwaard met hypotheek en draagt hij het vervolgens over aan B, dan rust op B's huis in beginsel een hypotheek voor de schuld van Schuldenaar A.

(Zie hierover, en derdenbescherming, 3:238, 3:98 jo 3:88)

Nr. 513: Wat is het voorrecht van eerdere uitwinning dat de derde-pand of hypotheekGEVER heeft?

De derde-pand- of hypotheekGEVER kan bewerkstelligen dat bij executie niet het eerst op zijn goederen verhaal wordt genomen.

Dat is het geval inden voor dezelfde vordering naast zijn goederen, ook goederen van de schuldenaar zijn verpand of verhypothekeerd.

>Hij kan dan, wanneer de schuldeiser tot executie overgaat, verlangen dat de goederen van de schuldenaar mede in de verkoop worden begrepen en het EERST worden verkocht. Zie 3:234 lid 1. (Zie ook lid 3 bij weigering van schuldeiser!)

Nr. 514: O.g.v. 3:248 resp. 3:268 heeft zowel de pand- als de hypotheekhouder het recht van parate executie. Wat is deze bevoegdheid, wat is parate executie dus?

Deze bepalingen verklaren hen bij verzuim van de schuldenaar bevoegd om het bezwaarde goed te (doen) verkopen en het hun verschuldigde op de opbrengst te verhalen. Parate executie wil dus zeggen: verkoop zonder voorafgaand beslag en zonder executoriale titel.

Nr. 514: Er zitten risico's verbonden aan parate executie voor beide partijen, want het is bijvoorbeeld niet altijd eenvoudig om vast te stellen of de schuldenaar daadwerkelijk in verzuim is, zie 6:81.

Wat is daarom m.b.t. Het pandrecht bepaald?

M.b.t. Het pandrecht is daarom bepaald dat partijen van de regel van parate executie kunnen afwijken en kunnen bedingen dat eerst tot verkoop kan worden overgegaan NADAT de rechter op vordering van de pandhouder het verzuim van de schuldenaar heeft vastgesteld.
Zie 3:248 lid 2.

Nr. 514: Wat als een goed meerdere malen is verpand?

(ondw: pandrecht)

Dan kan een ANDER DAN DE HOOGST gerangschikte pandhouder SLECHTS verkopen met handhaving van de hoger gerangschikte pandrechten, zie 3:248 lid 3.

Dus: deze hoger gerangschikte pandrechten blijven op het goed rusten.

Nr. 514: ^voortbordurend op het voorgaande, hoe zit dat dan met hypotheek?

Daar is het anders geregeld.
Daar vindt zuivering plaats, zie 3:273 (nr. 588 boek).

>Betekent: als het de HOOGST gerangschikte pandhouder is die verkoopt, dan vervalt het recht van de LAGER gerangschikte pandhouder om op te gaan in de bevoegdheid om overeenkomstig zijn rang te delen in de opbrengst.

Zie 3:253 BW en 490b Rv

Nr. 515: De hoofdregel is openbare verkoop. T.a.v pand bepaalt 3:250.1 dat de verkoop geschiedt in het openbaar naar de plaatselijke gewoonten EN op de gebruikelijke voorwaarden

Dit ziet op executie en verhaal

Wat is de achtergrond van deze hoofdregel en wat is het doel van deze hoofdregel?

De achtergrond is de bescherming van de belangen van de pandgever en andere schuldeisers.

Het doel van openbare verkoop is het behalen van een zo hoog mogelijke, objectief bepaalde opbrengst én het verkleinen van de kans dat de executerende pandhouder met de koper samenspant ten nadele van de pandgever en de andere schuldeisers.

Nr. 516: Wat is de uitzondering op onderhandse verkoop? (dit moet openbarae verkoop zijn denk ik )

Onderhandse verkoop (let op, met rechterlijke goedkeuring). 3:251.1

Nr. 516: hoe worden beiden wijzen van verkoop bij hypotheek, de openbare ten overstaan van een notaris en onderhandse bij goedgekeurde overeenkomst aangemerkt?

Als een executoriale verkoop waarop de in art. 544 e.v. Rv voorgeschreven formaliteiten mede van toepassing zijn.

3:268.4

Hierbuiten is er GEEN andere wijze van verhaal voor de hypotheekhouder, een daartoe strekkend beding is zelfs nietig, lid 5.

Nr. 517: Als je het voorgaande leest, over de 2 mogelijkheden voor verhaal voor de hypotheekhouder, hoe zit dat dan met de pandhouder in het geval van onderhandse verkoop bij pand?

Er zijn 4 mogelijkheden voor de pandhouder.

1. Verkoop in het openbaar
2. Verkoop met rechterlijke toestemming onderhands
3. Pand verblijft aan pandhouder
4. (die wordt hier genoemd): 3:251.2 - partijen kunnen een afwijkende wijze van verkoop overeenkomen. (E.e.a. Wordt later toegelicht).

Nr. 517: Wat kan deze overeengekomen afwijkende wijze van verkoop inhouden, waarover het gaat bij manier 4, de mogelijkheden voor de pandhouder voor verhaal ?

Hoe heet dit?

De overeengekomen afwijkende wijze van verkoop van onder meer inhouden dat de pandgever (of diens curator) het verpande goed onderhands verkoopt en de opbrengst ter beschikking stelt van de pandhouder opdat deze het hem verschuldigde daarop kan verhalen.

Deze verkoop wordt oneigenlijke lossing genoemd en valt onder 57 Fw.
Het is een vorm van uitoefening van het recht van parate executie door de pandhouder.

Nr. 517: Houdt de afwijkende wijze van verkoop (3:251 lid 1) voor de pandhouder ook in dat de pandhouder zich het pand tegen een met de pandhouder overeen te komen prijs mag toe-eigenen?

Ja, dat is een optie. Zie lid 2.

Nr. 518: Er wordt nog gewezen op de in 3:254 vervatte mogelijkheid om verhypothekeerde en verpande zaken tezamen volgens de voor hypotheek gelende regels te executeren.

(roerende zaken, bestemd om duurzaam te dienen)

Wat geldt als executie overeenkomstig een dergelijk beding geschiedt?

Dan zijn NIET de regels van pand van toepassing (3:248-253), maar van hypotheek (3:268-273)

Let op: beding is inschrijfbaar in de openbare registers, 3:254.3)

Nr. 519: Hoe wordt een beding aangemerkt waarbij de pand- of hypotheekhouder de bevoegdheid wordt gegeven zich het verbonden goed toe te eigenen?

Waar vind ik dit?

3:235.

Dit wordt als nietig aangemerkt (nooit geldig geweest, zo'n beding).

Let op het verschil bij pand ( 3:251.2) en hypotheek (3:268.5)

Nr. 520: Hoe werkt het met de verdeling van de opbrengst?
Onderscheid de situatie 'executie door een pandhouder' en 'executie uit hoofde van hypotheek'.

>Executie door pandhouder: deze ontvangt zelf de koopprijs
>Executie uit hoofde van hypotheek: de koper voldoet de koopprijs in handen van de notaris

3:270.1

Overschot? Dat moet worden afgedragen aan de zekerheidsgever, 3:253.1 resp 3:270.2

Nr. 520: Wat zijn de belangrijkste vuistregels bij pand- en hypotheekrechten onderling?

Wordt in beginsel bepaald door het prioriteitsbeginsel (ouderdom), dat
(1)pand en hypotheek in beginsel boven voorrechten gaan (3:279) én
(2)dat bijzondere voorrechten in beginsel boven algemene voorrechten gaan (3:280)

Nr. 520: Ik wil de netto-opbrengst verdelen (onder pand- en hypotheekhouders).

Dat geschiedt in principe op basis van een minnelijke regeling (3:253.1 jo 490b.1 Rv).

Als ik naar de rangregeling in het Wetboek van Burgerlijke Rv wil, waar ga k dan heen?

P. 463 boek, artikelen: 552 jo 482-490d Rv

Nr. 521: Wat wordt met seperatisme genoemd (hier)?

In faillissementssituaties kunnen pand- en hypotheekhouders hun recht uitoefenen alsof er geen faillissement was, zie 57.1 Fw.

Zij zijn seperatist.

>Zij kunnen (anders dan andere crediteuren) desgewenst tot parate executie overgaan en het hun toekomende op de opbrengst verhalen
>Zie ook 182 Fw

Nr. 521: Aan de bevoegdheid tot parate executie in faillissement zijn 2 grenzen gesteld. Welke?

1. Zij kan tijdelijk NIET worden uitgeoefend indien de rechtercommissaris een afkoelingsperiode heeft gelast (63a FW)
2. De curator is bevoegd - niet verplicht - de pand- of hypotheekhouder een redelijke termijn te stellen om tot uitoefening van zijn recht als seperatist over te gaan.

Nr. 521: Als gevolg van executoriale verkoop door de seperatist en betaling van de koopprijs gaan alle op het goed rustende hypotheken teniet - 3:273.1

Wanneer is dat ook het geval?

Hetzelfde is het geval indien de hypotheekhouder de hem gestelde termijn heeft laten verstrijken en de curator zelf verkoopt - 188.1 Fw

Nr. 521: Een bijzondere bescherming genieten de beperkt gerechtigden wier rechten als gevolg van de executie vervallen. Wat dan?

Zij kunnen bij de verdeling uit eigen hoofde opkomen voor hun recht op schadevergoeding als bedoeld in 3:282 (57.2 Fw) én er vindt te hunner laste géén omslag in de faillissementskosten plaats (182 Fw).

Nr. 521: arrest Van Gend en Loos

Nog invoegen in Excel - p465

Nr. 522: Over ondeelbaarheid van het recht van hypotheek en pand - 3:230

Wat is het voorbeeld dat is gegeven?

Komt ook terug in de vragen:

Indien iemand twee even waardevolle colliers in pand heeft gegeven voor een vordering van 10.000, kan hij er zich na betaling van 5.000 NIET op beroepen dat het pandrecht van één van de twee colliers zou zijn vervallen.

Nr 522: wat voor type recht is het leerstuk van ondeelbaarheid?

Het leerstuk van ondeelbaarheid is REGELEND recht.

Dus, partijen kunnen een afwijkende regeling treffen, bijvoorbeeld in die zin dat de hypotheekhouder van verschillende onderpanden tegen aflossing van een bepaald bedrag een onderpand uit het hypothecair verband zal ontslaan.

Nr. 523: Een recht van pand of hypotheek kan op verschillende manieren tot zekerheid strekken ten behoeve van meerdere crediteuren gezamenlijk.

Hoe?

-Een gemeenschap van een pand- of hypotheekrecht kan in de zin van 3:166 zijn ontstaan.
Denk aan de verwerving van een door pand- of hypotheek gedekte vordering door meerdere erfgenamen gezamenlijk.

-Ook kan worden verwezen naar de opvatting dat bij overgang van een enkele door bankpand- of hypotheek gezekerde vordering een gemeenschappelijk zekerheidsrecht ontstaat.

Nr. 523: Waar vind ik een voorbeeld van een gezamenlijk zekerheidsrecht uit de wet?

In 3:259 BW.

Nr. 526: dit nr. Geeft aan dat voor de VESTIGING van het pandrecht, niet steeds kan worden volstaan met de door 3:98 BW voorgeschreven overeenkomstige toepassing van afd. 3.4.2. (vgl art. 3:236.2)

Wat kent het pandrecht in de wet namelijk?

Het pandrecht kent deels in aanvulling, deels in afwijking daarvan enige EIGEN vestigings- en derdenbeschermingsbepalingen. Zie 3:236.1, 3:237-239.

Nr. 527: Ik wil weten waar ik heen moet als ik als partij een pandrecht beoog te vestigen en ik ben een financiële marktpartij, de wederpartij is een andere niet-consument

Ga naar boek 7, 7:51, 7:52.

Ook 7:130 e.v. Zijn genoemd

Nr. 527: Hoe ontstaat pandrecht van rechtswege?

Noem 4 manieren

1. Bij wege van substitutie (3:229, zie nr. 509)
2. In geval van vermenging (zie nr. 473a)
3. A.g.v. Inning door de pandhouder (3:246.5, zie nr. 548)
4. T.b.v. Gezamenlijke certificaathouders (3:259, zie nr. 523)

Nr. 527: bijzondere problemen ontstaan bij vestiging van vuistpand op een AANDEEL in een goed.

Wat dan?

Hierbij is de medewerking van de overige deelgenoten vereist.
ZONDER hun medewerking is vuistpand slechts denkbaar in die zin dat de zaak zich in de macht van een der andere deelgenoten bevindt.

3:236

Nr. 528: Ik wil een vuistpand op roerende zaken vestigen.
In beginsel geldt dan de schakelbepaling 3:98 BW, waaruit volgt dat de pandgever beschikkingsbevoegd moet zijn en dat er een geldige titel aan de vestiging ten grondslag moet liggen, zie immers 3:84 lid 1.

Maar, voor wat betreft het leverings- of vestigingsvereiste geldt NIET 3:90.
Wat geldt dan wel?

Wat is het gevolg daarvan?

Speciaal voor vuistpand geldt 3:236.1

Met dit aangepaste vereiste wordt tot uitdrukking gebracht dat de pandhouder SLECHTS HOUDER van de verpande zaak wordt en niet BEZITTER, zoals 3:90 zou meebrengen.

Nr. 528: Wat als wordt gekozen voor een pandrecht via een derde (bij vuistpand), wat is dan essentieel mbt de zaak?

Dan is het essentieel dat de zaak uit de macht van de pandgever raakt.

Nr. 528: Wat als de te verpanden goederen zich reeds onder een derde bevinden, bijvoorbeeld een vervoerder, en er zijn zakenrechtelijke papieren afgegeven?

Dan kan het pandrecht worden gevestigd door overgifte van dit papier.

De vervoerder of veemhouder gaat daardoor houden voor de pandhouder

Nr. 529: Vuistpand op rechten aan toonder of order.

Waar worden rechten aan toonder of order mee gelijk gesteld, voor wat betreft het vestigingsvereiste bij verpanding?

Aan roerende zaken.

Wat in nr. 528 is gezegd, geldt hier ook. Het is de bedoeling dat de pandhouder SLECHTS HOUDER wordt van het object van verpanding.

Zie dus voor het leveringsvereiste/vestigingsvereiste: 3:236.

Nr. 530: Vuistpand op vruchtgebruik van een roerende zaak of recht aan toonder of order, hoe vestig ik dat?

Hetzelfde vestigingsvereiste geldt als voor pandrecht op het aan dat vruchtgebruik onderworpen goed zelf:

>Het brengen van de zaak of het papier in de macht van de pandhouder OF een derde.
>Voor rechten aan order aangevuld met endossement,

3:236.

Nr. 531: Bescherming tegen (beperkte) beschikkingsonbevoegdheid

Welk artikel geldt voor vuistpand? 
Op welke 2 manieren kan bescherming plaatsvinden?

3:238

1. Was de pandgever VOLLEDIG beschikkingsonbevoegd, dan wordt de vuistpandhouder beschermd: pandrecht komt dan TOCH geldig tot stand, TENZIJ lid 3 aan de orde is
2. Was de pandgever GEDEELTELIJK beschikkingsonbevoegd (verpande goed was reeds met een ander beperkt recht bezwaard), dan vindt rangwisseling plaats. Zie lid 2. Het pandrecht gaat in rang boven het andere, oudere beperkte recht.

Nr. 532: Het vuistpandrecht biedt de pandhouder de mogelijkheid om zijn vordering bij voorrang op de netto-opbrengst van het verpande goed te verhalen.

In dit verband zijn 2 hoofdregels van belang. Welke?

1. In beginsel gaat een ouder pandrecht VOOR een jonger beperkt recht
2. Volgens de hoofdregel van 3:279 gaat het pandrecht BOVEN voorrecht, TENZIJ de wet anders bepaalt.

Dus, de positie van de vuistpandhouder blijft sterk. Er zijn weinig uitzonderingen.

Nr. 532: er is een uitzondering genoemd, op de sterke positie van de vuistpandhouder m.b.t. Aan vuistpand verbonden voorrang.

Welke? (Artikel)

3:284 lid 2.

Nr. 533: Waarom is het stil pandrecht (3:237) in het leven geroepen?

Aan de vestiging van een pandrecht dmv het in de macht van de pandhouder of een derde brengen van te verpanden goederen kunnen grote praktische bezwaren kleven.

Er kan een letterlijk onwerkbare situatie ontstaan als een bedrijf zijn inventaris uit handen moet geven.

Dus, is de vestiging van een STIL pandrecht in het leven geroepen.

Nr. 533: Voor de vestiging van een stil pandrecht is een akte nodig. Deze hoeft niet tweezijdig te zijn, maar voldoende is eenzijdig.

Welk artikel in het Wetboek van Rv gaat daarover?

156 lid 1 Rv.

Nr. 533: voor de akte geldt het bepaalbaarheidsvereiste.

Wanneer is aan die eis volgens de HR voldaan in vaste rechtspraak?

Als de akte van verpanding ZODANIGE gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welk goed het gaat.

Nr. 534: de positie van de stil pandhouder is minder sterk dan die van de vuistpandhouder. Zowel in feitelijke als in juridische zin. Waar ga ik heen om de verschillen te bekijken?

P. 479 en 480 boek

Nr. 535: Is de vestiging van pandrecht bij voorbaat op toekomstige goederen mogelijk?

Zo ja, o.g.v. Welke artikelen?

Ja, dat is mogelijk o.g.v. 3:98 jo 3:97

Nr. 535: Het kan zich voordoen dat eenzelfde toekomstige zaak meerdere malen bij voorbaat is verpand.

Zodra nu de pandgever de zaak verkrijgt, ontstaan er tezelfdertijd meerdere pandrechten. Wat nu?

Hun rangorde wordt in beginsel bepaald door het tijdstip waarop de inpandgeving bij voorbaat heeft plaatsgevonden. 3:98 jo 3:97 lid 2

Nr. 535: Hierboven zie je hoe de rangorde is bepaald, als er tezelfdertijd meerdere pandrechten ontstaan.

Wanneer zal echter alsnog rangwisseling plaatsvinden?

Zodra de tweede pandhouder vóór de eerste de zaak in zijn macht krijgt en hij het eerste pandrecht kent, noch behoort te kennen. Zie 3:238 jo 3:97 lid 2

Nr. 536: Weer even terug naar het eigendomsvoorbehoud. Bij die bespreking  is aandacht besteed aan verschijnsel dat de koper onder eigendomsvoorbehoud (hij heeft slechts een voorwaardelijk eigendomsrecht gekregen), in sommige gevallen tóch bevoegd wordt geacht om over de onvoorwaardelijke eigendom van de geleverde zaken te beschikken.

Wanneer mag dat, dus in welke situatie?

Deze bevoegdheid heeft hij alleen voor handelingen in de normale uitoefening van het bedrijf. Bijvoorbeeld wél verkopen en leveren aan afnemers. Maar NIET bezwaren met zekerheidsrechten.

Dit is ook van belang, de soortgelijke problematiek, bij stille verpanding van bedrijfsvoorraden.

Nr. 536: arrest Mulder q.q. /CLBN en Van Gorp q.q. / Rabo nog invoegen

P482 en 483 boek

Nr. 537: Kan omzetting in vuistpand plaatsvinden?

Ja, de pandhouder kan onder omstandigheden vorderen dat de zaak of het toonderpapier in zijn macht of in die van een derde wordt gebracht en dusdoende het stil pandrecht ALSNOG omzetten in een vuistpand. Zie 3:237 lid 3.

In de praktijk vindt omzetting dikwijls plaats via een zogenoemde 'verhuurconstructie'.

Nr. 537: Wat als op het goed meerdere pandrechten rusten, en de pandhouder afgifte wil vorderen?

Dan komt de bevoegdheid om afgifte te vorderen toe aan iedere pandhouder jegens wie de pandgever of de schuldenaar tekortschiet.

Zie 3:237 lid 3.

Nr. 537: Nadat afgifte heeft plaatsgevonden, is het pandrecht niet langer stil. Vanaf dat moment zijn welke regels van toepassing?

En wat als de zaak weer in handen komt van de pandgever?

De regels betreffende vuistpand zijn dan weer van toepassing.

Als de zaak echter weer in handen komt van de pandgever, dan krijgen de regels betreffende stil pand opnieuw gelding. 3:258 lid 1.

Nr. 539: Net als andere beperkte rechten, kan ook het pandrecht worden gevestigd door middel van voorbehoud bij overdracht.

Wat is daartoe vereist?

Daartoe is vereist dat zowel de voorschriften voor overdracht van het te verpanden goed als die voor vestiging van het pandrecht in acht worden genomen. 3:81 lid 1 (nr 471).

Nr. 539: Hoe vindt de vestiging van vuistpand door middel van voorbehoud plaats?

En stil pandrecht dan?

Vuistpand: Doordat de pandhouder de zaak of het toonderpapier in zijn macht houdt, terwijl hij het bezit en de bloot-eigendom overdraagt.

De vestiging van stil pandrecht door middel van voorbehoud geschiedt bij authentieke of geregistreerde onderhandse akte.
De zaak of het papier wordt in het bezit van de verkrijger-pandgever gebracht.

Nr. 539: Wanneer is sprake van rangwisseling bij voorbehoud van pandrecht (hetgeen is genoemd in het nr. Althans)?

Indien de derde te goeder trouw is op het moment dat de zaak in zijn macht wordt gebracht.

3:238 lid 2.

Nr. 540: Vuist- en stil pandhouder kunnen op velerlei wijze worden geconfronteerd met aanspraken van derden op het verpande goed of op de executie-opbrengst daarvan.

In dit nr. Is e.e.a op een rijtje gezet.

P. 486 en 487 boek

De vragen op deze pagina komen uit de samenvatting van het volgende studiemateriaal:

  • Een unieke studie- en oefentool
  • Nooit meer iets twee keer studeren
  • Haal de cijfers waar je op hoopt
  • 100% zeker alles onthouden
Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.
Trustpilot-logo