Biologische benaderingen van psychopathologie - De biologische benadering van gedrag: een historische schets

48 belangrijke vragen over Biologische benaderingen van psychopathologie - De biologische benadering van gedrag: een historische schets

Waarom zijn argumenten tegen Buikhuisen niet zo sterk?

1. reductionisme is het wezenskenmerk van de wetenschap > je gaat altijd opzoek naar 1 onderliggend mechanisme
2. Er zijn inderdaad voorbeelden van slechte toepassingen van biologisch onderzoek >> frontale lobotomie en schizofrenogene moeders
- Echter ook goede voorbeelden >> ontdekking van neuroleptica en behandeling van dementia paralytica

Noem een voorbeeld van op een biologische theorie geënte behandeling die een aantoonbare vooruitgang heeft opgeleverd.

In de jaren vijftig van de 20ste eeuw werden voor het eerst antipsychotische middelen ontdekt (neuroleptica) zoals chloorpromazine en haloperidol

Het principiele argument voor de (neuro) biologische benadering van psychopathologie is dat de hersenen in hoge mate betrokken zijn bij de totstandkoming van (psychopathologisch) gedrag.

Dit werd reeds geopperd in de Griekse Oudheid, waar Hippocrates stelde dat (afwijkend) gedrag en gevoel voortkwam uit de werking van de hersenen.
  • Hogere cijfers + sneller leren
  • Niets twee keer studeren
  • 100% zeker alles onthouden
Ontdek Study Smart

Biologisch onderzoek naar psychopathologisch gedrag kan tot gevaarlijke toepassingen leiden. Noem enkele voorbeelden van zulke toepassingen uit het verleden die op geen enkele empirische basis gestoeld waren.

Frontale lobotomie (1935-1955) en  Schizofrenogene moeders (1960) waarbij ouders verantwoordelijk werden gesteld voor de schizofrenie van hun kinderen.

In de 19e eeuw wendde gedachtevorming over de relatie .

tussen hersenen en gedrag specifieker

Waarop ligt tegenwoordig de nadruk bij psychopathologisch onderzoek?

De samenwerking tussen biologische en psychologische factoren

Welke proeven deden Fritsch en Hitzig

Dierproeven die lieten zien dat elektrische stimulatie van hersengebieden bewegingen mogelijk maken.

In 1861 beschreef de Fransman Broca dat een beschadiging van de linkerfrontaalkwab, bijvoorbeeld door een hersenbloeding leidt tot een taalstoornis waarbij de persoon langzaam, slecht articulerend en in telegramstijl spreekt. Broca's afasie.

Ongeveer in dezelfde tijd lieten de Duitsers Fritsch en Hitzig in dierproeven zien dat elektrische stimulatie van de hersenen kan resulteren in geconditioneerde bewegingen van de ledematen. Sinds Broca, Fritsch en Hitzig staat dus vast dat de hersenen in hoge mate betrokken zijn bij de totstandkoming van gedrag.

Noem 2 argumenten vóór een biologische benadering waaruit blijkt dat de hersenen in hoge mate betrokken zijn bij het stand komen van gedrag

1. Ontdekking van de Broca afasie waarbij door beschadiging van de linkerfrontaalkwab een taalstoornis ontstaat.
2. het elektrisch stimuleren van de hersenen dat resulteert in gecoördineerde bewegingen van de ledematen

Wat toonden de onderzoeken van Broca, Fritsch en Hetzig aan?

Dat hersengebieden betrokken zijn bij de totstandkoming van gedrag.

De Duitse psychiater Griesinger zette de toon toen hij zei:

Geisteskrankheiten sind Gehirnkrakheiten.

Griesinger en medestanders hadden in de 19 eeuw al het standpunt dat niet alle gedragingen te reduceren zijn tot hersenprocessen. Wat was hun overtuiging?

Een reductionistische benadering gericht op hersenprocessen kan in ieder geval íets opleveren, maar niet alle gedragingen verklaren.

De ontwikkeling van de neurowetenschappen leidde tot nieuwe toepassingen t.a.v. Psychopathologie waaronder dubieuze behandelingen zoals frontale lobotomie. Op grote schaal werd de frontale kwab van tienduizenden psychiatrisch patiënten verwijderd, o.a. Door Monitz.

Goed onderzoek vond echter nooit plaats en de ingreep kende geen empirische basis en vele bijeffecten.

Waarom wordt er tegenwoordig niet meer alleen naar nature versus nurture gekeken bij psychopathologisch gedrag?

Omdat men heeft ontdekt dat psychologische ervaringen invloed hebben op de biologische en psychologische processen en andersom. Vandaar dat het tegenwoordig meer gaat om de onderlinge samenhang  tussen psychische processen en het functioneren van de hersenen.

Tegenwoordig is de dominante visie in de neurowetenschappelijke benadering van psychopathologie dat er een samenhang bestaat tussen

psychische processen, neurobiologische mechanismen en de omgeving waarin we leven.

Hippocratis  probeerde in zijn tijd mensen er tevergeefs van te overtuigen dat afwijkend gedrag en gevoel niet kwamen door bovennatuurlijke  verschijnselen. Pas in de renaissance kwam er weer ruimte om kritisch te observeren en te denken. Zo bracht Descartes  in de 17e het idee naar voren dat de ziel zetelt in het hoofd, namelijk in de pijnappelklier.

Gall kwam met de gedachte dat de grijze stof van de hersenen verschillende mentale organen bevatte. Enerzijds gaf dit aanleiding tot de ontwikkeling van de onwetenschappelijke praktijk van de frenologie, waarin werd gesteld dat capaciteiten en persoonlijkheid kunnen worden afgeleid van de vorm van de schedel. Anderzijds werd de essentie van deze gedachte van Gall een basis om ook een koppeling te leggen tussen hersenen en afwijkend gedrag.

De samenhang tussen psychiatrische processen en neurobiologische mechanismen kan worden bestudeerd door te kijken naar genen, hersenstructuren, NT en hormonen. Elk onderdeel staat nooit op zichzelf en zal nooit een volledige verklaring bieden voor psychopathologie.

Gedrag, en dus ook psychopathologie, is (bijna) altijd een samenspel van genen, hersenen, hersenstructuren NT, hormonen en de omgeving.

Genen. Om uit te zoeken of bepaalde psychische stoornissen een genetische achtergrond hebben, kan er bij genetisch onderzoek over het algemeen

Gebruik worden gemaakt van een drietal bronnen: familiestudies, tweelingstudies en adoptiestudies.

De gedachte achter familie-studies is dat een vatbaarheid voor een psychische stoornis overerfd kan worden.

Families delen echter niet alleen genen, maar ook omgevingsfactoren, waardoor de genetische factoren soms moeilijk van de omgevingsfactoren te onderscheiden zijn.

Bepalen van de erfelijkheid. Als het gaat om het bepalen van een specifieke erfelijke eigenschap, dan zal eerst de concordantie worden bepaald van eeneiige en twee-eiige tweeling door na te gaan wat de mate is waarin een specifieke aandoening beide leden van een paar treft.

Vervolgens kan de erfelijkheid berekend worden via de formule: 2 x concordantie eeneiige-concordantie - concordantie twee-eiige. Stel je hebt een concordantie van 0.80 gevonden bij eeneiige tweelingen en 0.50 bij twee eeneiige tweelingen. Dan is de erfelijkheid twee keer het verschil, dus 2x (0.80 - 0.50) = 0.60. Dat wil zegen dat de eigenschap voor 60% bepaald is door erfelijkheid.

Een derde bron van genetisch onderzoek zijn adoptiestudies. De gedachte daarachter is dat geadopteerde kinderen genetisch verwant zijn aan hun biologische ouders maar geen genetische overeenkomst hebben met hun adoptieouders. Met de adoptieouders delen zij daarentegen wel de omgevingsfactoren.

Bewijs voor een genetische bijdrage aan een bepaalde stoornis wordt geleverd als geadopteerde kinderen bij wie een stoornis voorkomt in hun biologische familie, vaker die stoornis hebben dan geadopteerde kinderen zonder die stoornis in hun biologische familie. Wanneer er alleen overeenkomsten zijn in het voorkomen van stoornissen bij adoptieouders en kinderen zullen die overeenkomsten het resultaat zijn geweest van de omgeving

De relatie tussen genotype en fenotype. Het genotype is de genetische bagage van een individu.

Het bestaat uit de genen die door een persoon zijn geërfd van de interactie tussen genotype en omgeving worden het fenotype genoemd. Zo is de huidskleur bijvoorbeeld een fenotype. De kleur is door het genotype bepaald en deels door de omgeving, namelijk de zon.

Neuronale netwerken of werkingsmechanismen worden geassocieerd met specifiek gedrag.

Veelal wordt dit inzichtelijk gemaakt , met name als het gaat om (activiteit in) hersenstructuren- met beeldvormend onderzoek.

Twee hersenstructuren die sterk op elkaar inspelen en samenhangen met emoties en de regulatie daarvan (die vaak verstoord zijn bij psychische stoornissen) namelijk het

limbische systeem en de prefrontale cortex.

Het limbische systeem speelt een rol bij emoties, motivatie, genot en emotioneel geheugen, maar wordt het meest in verband gebracht met angst.

Het limbisch systeem bestaat uit een aantal hersenstructuren waaronder de amygdala, hippocampus en de hypothalamus.

De prefrontale cortex is het voorste gedeelte van de neocortex en is evolutionair gezien het 'modernste' deel van de neocortex.

Het is betrokken bij de regulatie van verschillende cognitieve processen, zoals aandacht, verbaal geheugen en psychomotorische snelheid. De prefrontale cortex is ook betrokken bij het bewerkstelligen van doelgericht gedrag zoals planning, initiëren en inhiberen van handelingen. De prefrontale cortex evalueert doorlopend de uitkomsten van die handelingen en corrigeert indien nodig.

Prefrontale cortex. Door de veelheid aan gedragingen en functies die worden geassocieerd met de PFC is het niet verwonderlijk dat de gevolgen van beschadigingen in dit gebied persoonlijkheidveranderingen inhouden, pathologisch huilen of lachen of een pseudo-depressie syndroom, initiatief-verlies, affectieve vervlakking en sociale teruggetrokkenheid.

In andere gevallen kan het vermogen tot zelfevaluatie en correctie zijn aangetast.

Prefrontale cortex. Door deze specifieke uitingen kan het voorkomen dat een persoon een beschadiging in de PFC (bijvoorbeeld door een tumor) voor een psychiatrisch patiënt wordt gehouden en

dien overeenkomstig wordt behandeld.

De prefrontale cortex werkt nauw samen met subcortinale hersenstructuren, zoals het limbisch systeem.

Door deze samenwerking kan de prefrontale cortex een regulatieve werking hebben op de verwerking en expressie van emotie en herinneringen. Daarmee draagt de PFC bij aan adaptieve en gedragsresponsen zoals bijvoorbeeld het onderdrukken van al te uitbundig gedrag.

Beeldvormend onderzoek. Voor onderzoek naar psychopathologie is FMRI het belangrijkste, omdat hiermee op weinig belastende wijze veranderingen in de regionale cerebrale doorbloeding kunnen worden vastgesteld.

In FMRI-onderzoek worden verschillende zuurstofgehalte van het bloed gemeten a.d.h.v. Het zogenaamde BOLD-signaal (blood oxygen leven dependent). FMRI is gebaseerd op de aanname dat een toegenomen bloedtoevoer naar hersengebieden duidt op een verhoogde neuronale activiteit.

Beeldvormend onderzoek heeft ook beperkingen. FMRI meet verschillen in bloedtoevoer, geen rechtstreekse neuronale activiteit en de temporele resolutie (maat voor de nauwkeurigheid bij het meten van processen in de hersenen m.b.t. Tijd) en spatiele resolutie (maat voor nauwkeurigheid bij het meten van de hersenstructuren m.b.t. Locaties)

Zijn nog altijd ver verwijderd van het verkrijgen van inzicht op het niveau van het enkelvoudige neuron.

Zowel NT als hormonen hebben invloed op onze emoties en gedrag.

Belangrijke NT in de klinische praktijk zijn: glutamaat, GABA, dopamine, serotonine en noradrenaline.

NT. De hersenen bestaan uit miljarden neuronen, afhankelijk van hun functie: verschillen neuronen van elkaar in vorm en grootte.

Echter alle neuronen zijn opgebouwd uit een cellichaam, dendrieten en een axon. Dendrieten zijn vertakkingen die signalen vanuit andere neuronen ontvangen en een axon is een vertakking die een signaal overdraagt naar andere neuronen.

In het neuron waaruit een signaal geiniteerd wordt, het presynaptische neuron, worden NT gesynthetiseerd (opgebouwd). NT zijn te vergelijken met een sleutel die op een slot (receptor) past en dit kan openen.

Bij activatie van het neuron worden deze NT via blaasjes getransporteerd naar de synaptische spleet. Deze spleet is een kleine ruimte tussen twee neuronen waar NT kunnen worden overgedragen. In de spleet barstten de blaasjes open, waardoor de NT in de synaptische spleet terechtkomen. De verschillende NT passen elk op een specifiek type receptor van het postsynaptische neuron. Door zich aan deze neuron te hechten zetten ze processen in gang die een nieuw signaal in het postsynaptische neuron kunnen opwekken.

Er zijn vijf factoren die de synaptische overdracht beïnvloeden.

1. De hoeveelheid van de NT in de synaptische spleet
2. Blocking agents
3. Remmende neuronen
4. Neuronen gevoeligheid 
5.  aantal receptoren op het postsynaptische neuron

Remmende neuronen. Als een remmend neuron het presynaptische neuron inhibeert neemt de kans af dat het zal vuren en op zijn beurt het post-synaptische neuron zal stimuleren.

Stimuleert het remmende neuron dan neemt de gevoeligheid van het postsynaptische neuron af en daarmee de kans dat het zal vuren als het gestimuleerd wordt door het presynaptische neuron.

Neuronen-gevoeligheid. Gevoelige neuronen hebben een grotere kans te vuren als ze geprikkeld worden dan minder gevoelige neuronen.

Een van de verklaringen voor het ontstaan van depressie is dat neuronen die geassocieerd worden met plezier minder gevoelig zijn geworden, waardoor de kans dat ze zullen vuren afneemt. Als gevolg daarvan ervaart de persoon juist minder plezier.

Aantal receptoren op het postsynaptische neuron. Als het postsynaptische neuron meer receptoren heeft, is de kans groter dat NT zich aan een van hen weten te hechten.

Het is in dat geval ook waarschijnlijker dat het neuron geprikkeld zal worden dan wanneer het minder receptoren heeft, wat betreft psychotische stoornissen is aangetoond dat sommige mensen met schizofrenie een zeer hoog aantal van een bepaald soort receptor hebben.

Hormonen worden geproduceerd in endocriene klieren en worden via de bloedbaan door het lichaam getransporteerd.

Hierdoor leggen hormonen vaak grotere afstanden af door het lichaam dan NT en werken daarom langzamer dan NT.

Hormonen communiceren tussen cellen in het lichaam. Een hormoon kan dus gezien worden als een signaalstof die door cellen in het lichaam geproduceerd wordt en via het bloed bij cellen komt waarvan het de activiteit reguleert. De communicatie gaat over grotere afstanden.

Een hormoon heeft, net als een NT enkel effect op een cel als die een specifieke receptor heeft voor het betreffende hormoon. Wat het effect is op de cel wordt bepaald door het soort receptor. Zo kan eenzelfde hormoon verschillende effecten hebben zo doelmatig een proces reguleren.

Testosteron is een hormoon dat een rol speelt bij (zeer) agressief gedrag. Cortisol, adrenaline en noradrenaline zijn hormonen die onder invloed van stress door verschillende endocriene klieren in het lichaam worden vrijgegeven.

Deze hormonen reguleren m.n. Aandacht en de reactie op dreiging uit de omgeving.

Door langdurige blootstelling aan stress kunnen onder invloed van deze hormonen hersenstructuren veranderen.

Door de vorming van bijvoorbeeld nieuwe of gevoelige receptoren kan de gevoeligheid in het brein toenemen voor prikkels uit de omgeving.

Resultaten van m.n. Dierproeven laten zien dat blootstelling aan matige stress tijdens de vroege ontwikkeling zorgt voor een betere stressverwerking tijdens het volwassen leven.

Dit wordt ookwel stress-immunisatie genoemd . Bij langdurige stress tijdens de vroege ontwikkeling is het effect omgedraaid. Dit kan juist zorgen voor een ontregeling van het gebied in het brein dat cortisol reguleert en kan een vatbaarheidsfactor zijn voor de ontwikkeling van probleemgedrag.

Interactie tussen neuronen en omgeving. Genen, hersenstructuren  NT en hormonen vormen een integraal geheel

en staan ook steeds in relatie met de omgeving.

Temperament is de samenstelling van aangeboren eigenschappen die leidt tot een unieke gedragsstijl en ook bepaalt hoe iemand diens omgeving ervaart en daarop reageert.

In de ontwikkeling heeft temperament  ook invloed op de ouder-kind-relatie en wekt een bepaalde opvoedingsstijl in de hand.

Genen en omgeving: interacteren met elkaar, zo is uit beeldvormend onderzoek gebleken dat de amygdala actiever is bij verlegen baby's dan bij minder verlegen baby's.

Daarmee kunnen verlegen kinderen gevoeliger of kwetsbaarder zijn voor stressvolle veranderingen in hun omgeving omdat een actievere amygdala eerder stressreacties teweegbrengt dan een minder actieve amygdala.

De aanmaak van MAO-A staat onder invloed van een bepaald gen. Deze interactie tussen (neuro-) biologische processen en omgeving kan dus deels bepalen waarom sommige op jonge leeftijd fysiek of psychisch mishandelde kinderen later in hun leven

Antisociaal gedrag vertonen.

Psychopathologie ontstaat door de interactie tussen een aangeboren kwetsbaarheid, neurobiologische processen en de omgeving,

Afhankelijkheid van de wijze waarop de persoon geleerd heeft om met omstandigheden om te gaan.

De vragen op deze pagina komen uit de samenvatting van het volgende studiemateriaal:

  • Een unieke studie- en oefentool
  • Nooit meer iets twee keer studeren
  • Haal de cijfers waar je op hoopt
  • 100% zeker alles onthouden
Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.
Trustpilot-logo