Persoonsvorm in de verleden tijd
24 belangrijke vragen over Persoonsvorm in de verleden tijd
Leg uit waarom het werkwoord 'barsten' een onregelmatig werkwoord is?
- Omdat het een combinatie is van een zwakke en sterke vervoeging
- In het verleden tijd wordt het 'zwak' vervoegd (barstte) en het voltooid deelwoord is 'sterk'(gebarsten)
Waarom schrijf je hij 'fietste' met -te en niet -de?
Bepaal of de volgende werkwoorden in de verleden tijd - te(n) of -de(n) krijgt, en leg uit waarom.
- Sluizen
- Horen
- Lopen
- Vragen
- Sluizen -> sluisde(n) De stam eindigt op een z, wat niet in het 't kofschip voorkomt, dus de(n)
- Horen -> hoorde(n)
- Lopen -> dit is een sterke werkwoord dus deze krijgt een klinkerverandering
- Vragen ->Vroeg(en)
- Hogere cijfers + sneller leren
- Niets twee keer studeren
- 100% zeker alles onthouden
Bepaal of de volgende werkwoorden in de verleden tijd - te(n) of -de(n) krijgt, en leg uit waarom.
- Sluizen
- Horen
- Lopen
- Vragen
- Sluizen -> sluisde(n) De stam eindigt op een z, wat niet in het 't kofschip voorkomt, dus de(n)
- Horen -> hoorde(n)
- Lopen -> dit is een sterke werkwoord dus deze krijgt een klinkerverandering
- Vragen ->Vroeg(en)
Noteer de persoonsvorm in de verleden tijd.
1. Het onweer (losbarsten)
Noteer de persoonsvorm in de verleden tijd.
2. Hij (erven) veel geld
Noteer de persoonsvorm in de verleden tijd.
3. Het (misten) erg
Noteer de persoonsvorm in de verleden tijd.
4. Zij (breien) een trui
Noteer de persoonsvorm in de verleden tijd.
5. Hij (juichen) luid
Noteer de persoonsvorm in de verleden tijd
6. Zij (liggen) in de zon
Noteer de persoonsvorm in de verleden tijd
7. Hoe (vinden) je het?
Noteer de persoonsvorm in de verleden tijd
8. Ik (opwinden) de klok
Noteer de persoonsvorm in de verleden tijd
9. Ze (worden) twintig
Noteer de persoonsvorm in de verleden tijd
10. God (scheppen) de aarde
Noteer de persoonsvorm in de verleden tijd
11. Hij (dwingen) hem te spreken
Noteer de persoonsvorm in de verleden tijd.
12. Het (bevreemden) ons zeer
Noteer de persoonsvorm in de verleden tijd
13. Hij (sterven) aan kanker
Noteer de persoonsvorm in de verleden tijd
14. Hij (zenden) een nota
Noteer de persoonsvorm in de verleden tijd
15. Zijn haar (glanzen)
Noteer de persoonsvorm in de verleden tijd
16. Vader (olïen) het scharnier
Noteer de persoonsvorm in de verleden tijd
17. Hij (mijden) mij altijd
Noteer de persoonsvorm in de verleden tijd
18. Hij (fronsen) z'n wenkbrauwen
Noteer de persoonsvorm in de verleden tijd
19. Moeder (schrobben) de stoep
Noteer de persoonsvorm in de verleden tijd
20. (Mogen) je naar de bioscoop?
De vragen op deze pagina komen uit de samenvatting van het volgende studiemateriaal:
- Een unieke studie- en oefentool
- Nooit meer iets twee keer studeren
- Haal de cijfers waar je op hoopt
- 100% zeker alles onthouden















