Veroudering vanuit een klinisch perspectief - Cognitie en cognitieve training

35 belangrijke vragen over Veroudering vanuit een klinisch perspectief - Cognitie en cognitieve training

Wat maakt cognitieve diagnostiek bij ouderen uitdagend?

Cognitieve diagnostiek bij ouderen is uitdagend vanwege de vele stoorfactoren die de kwaliteit van de verschillende informatiebronnen (zoals de autoanamnese, heteroanamnese en testonderzoek) kunnen aantasten.

Hoe kun je normale veroudering onderscheiden van cognitieve stoornissen?

Bij cognitieve diagnostiek bij ouderen is het van groot belang om de relatief onschuldige veranderingen van normale veroudering te kunnen onderscheiden van de ongunstigere veranderingen die geassocieerd zijn met progressieve cognitieve stoornissen. Dit onderscheid hangt voor een belangrijk deel samen met een accurate conceptualisatie van het cognitieve functioneren passend bij normale cognitieve veroudering.

Hoe werd cognitieve veroudering vroeger bekeken?

Cognitieve veroudering werd lange tijd vooral vanuit een biologisch perspectief bekeken, waarbij het gezien werd als een opeenhoping van schade in het lichaam die leidt tot functieverlies. Dit deficit-model focuste op pathologie, achteruitgang en beperkingen en ging uit van een uniform verouderingsproces waarbij cognitieve veranderingen voortkomen uit hersenachteruitgang. Het onderscheid tussen normale en pathologische veroudering hing af van de aanwezigheid van specifieke (neuro)pathologische processen, maar die grens bleek lastig te bepalen.
  • Hogere cijfers + sneller leren
  • Niets twee keer studeren
  • 100% zeker alles onthouden
Ontdek Study Smart

Wat maakt algemene conclusies over cognitieve verandering moeilijk?

Cognitieve veroudering is een veelzijdig proces dat naast achteruitgang ook stabiliteit en groei laat zien. Er zijn grote individuele verschillen in wanneer, hoe snel en in welke richting veranderingen optreden. Sommige ouderen functioneren tot op hoge leeftijd uitstekend, terwijl anderen al vroeg achteruitgang ervaren. Deze variabiliteit neemt toe met de leeftijd, wat het trekken van algemene conclusies over cognitieve veranderingen bemoeilijkt.

Wat gebeurt er met crystallized en fluid intelligence bij het ouder worden?

Cognitieve veroudering wordt vaak bekeken vanuit crystallized en fluid intelligence. Crystallized intelligence, zoals fietsen, taalvaardigheid en algemene kennis, blijft behouden en kan zelfs groeien tot na het 60e levensjaar, vooral door een actief en stimulerend leven. Fluid intelligence, die onafhankelijk is van eerdere ervaringen en nodig is voor nieuwe, complexe situaties, piekt rond het derde decennium en neemt daarna geleidelijk af, met een versnelde achteruitgang vanaf ongeveer 60 jaar.

Wat gebeurt er met de snelheid van informatieverwerking?

De snelheid van informatieverwerking, vaak gemeten via motorische reacties op stimuli, vertraagt geleidelijk vanaf het 30e levensjaar. Deze vertraging beïnvloedt ook andere cognitieve processen, zoals aandacht, taal, geheugen en executieve functies. Volgens de processing speed theory van Salthouse (1996) is deze afname verantwoordelijk voor veel leeftijdsgerelateerde cognitieve veranderingen.

Wat gebeurt er met selectieve aandacht?

Selectieve aandacht is het vermogen om de aandacht te richten op specifieke informatie zonder afgeleid te raken door andere irrelevante informatie. Deze vorm van aandacht is bijvoorbeeld nodig om te kunnen converseren in een lawaaiige omgeving, en bij autorijden. Onderzoek laat zien dat ouderen in het algemeen meer moeite hebben met selectieve aandacht dan jongeren. Het lijkt erop dat leeftijdseffecten voor een groot deel worden veroorzaakt door een verminderde snelheid van informatieverwerking bij ouderen in plaats van een tekort in de selectieve aandacht

Wat gebeurt er met verdeelde aandacht?

Verdeelde aandacht is het vermogen om de aandacht te richten op meerdere mentale processen tegelijkertijd. Een voorbeeld daarvan is praten aan de telefoon tijdens het koken. Ouderen hebben hier meer moeite mee, vooral als het gaat om complexere mentale processen. Het vermogen de aandacht snel te verleggen van de ene handeling naar de volgende (task switching), is gerelateerd aan verdeelde aandacht. Ook dit vermogen gaat achteruit met het ouder worden

Uit welke processen bestaat het episodisch geheugen?

Herinneringen aan persoonlijk ervaren gebeurtenissen, zoals een feest of telefoongesprek.
  • Procesfasen:
    • Inprenten (encoderen): Ouderen encoderen minder uitgebreid, vooral bij complexe informatie.
    • Vasthouden (retentie): Eenmaal goed opgeslagen informatie kan lange tijd behouden blijven.
    • Ophalen (retrieval/recall): Zelf informatie oproepen is moeilijker voor ouderen, maar aanwijzingen verbeteren de prestatie.

Uit welke aspecten bestaat het episodisch geheugen?

  • Brongeheugen: Geheugen voor de context (waar, wanneer, wie).
    • Achteruitgang: Ouderen onthouden vaak de inhoud (bijvoorbeeld een vrouw gezien bij de bus) maar vergeten de context (waar ze haar van kennen).
  • Temporal order-geheugen: Geheugen voor de volgorde waarin gebeurtenissen plaatsvonden.
    • Achteruitgang: Dit type geheugen wordt significant slechter met de leeftijd.
  • Wat gebeurt er met het impliciete geheugen?

    Het impliciete geheugen is een vorm van geheugen waarbij een eerdere ervaring iemands gedrag beïnvloedt zonder dat deze persoon zich die eerdere ervaring bewust herinnert (ook wel priming genoemd). Deze vorm van geheugen blijft relatief intact bij normale veroudering.

    Wat gebeurt er met het procedurele geheugen?

    Een deel van het impliciete geheugen betreft de motorische vaardigheden die lang geleden zijn aangeleerd en nu worden uitgevoerd zonder bewuste herinnering, zoals veters strikken, lezen, piano spelen, fietsen, of een auto besturen. Dit wordt het procedurele geheugen genoemd. Doordat deze vaardigheden na veelvuldige oefening geautomatiseerd zijn, vereisen ze geen herinnering van de context waarin de vaardigheid is geleerd. In het algemeen blijven geautomatiseerde motorische vaardigheden behouden gedurende de levensloop.

    Wat gebeurt er met visuospatiële vaardigheiden en visuoconstructie?

  • Basale vaardigheden:
    • Object- en vormherkenning en ruimtelijke waarneming blijven intact met het ouder worden.
  • Complexere vaardigheden:
    • Achteruitgang in vaardigheden zoals:
      • Visuoperceptuele integratie en redenering.
      • Mentale rotatie.
      • Visuospatiële constructie.
  • Verband met andere cognitieve domeinen:
    • Complexe visuospatiële taken vereisen ook:
      • Visuospatiële aandacht.
      • Visuospatiële (werk)geheugen.
      • Visuospatiële verwerkingssnelheid.
    • Deze ondersteunende functies nemen eveneens af met de leeftijd.
  • Wat gebeurt er met de verbale woordvloeiendheid?

    De verbale woordvloeiendheid, oftewel het vermogen om het geheugen te doorzoeken om woorden te genereren van een bepaalde categorie (dieren, beroepen, letters) binnen een vastgestelde en beperkte tijd, laat ook een achteruitgang zien bij het ouder worden. Dit kan echter worden veroorzaakt door een verminderde effectiviteit en flexibiliteit van de toegepaste zoekstrategie, hetgeen meer samenhangt met leeftijdgerelateerde veranderingen in de executieve functies dan met de taalfunctie op zichzelf.

    Wat laten studies zien over achteruitgang in iadl-functies?

    het iadl-functioneren afhankelijk is van verschillende factoren. Onderzoek door Burton e.a. (2006) laat bijvoorbeeld zien dat het iadl-functioneren beter is naarmate de oudere relatief jonger is (< 75 jaar), hoger opgeleid is (> 12 jaar opleiding) en niet gehinderd wordt door cognitieve stoornissen. De conclusie van het onderzoek is dat het merendeel van de ouderen ondanks de leeftijdgerelateerde ‘normale’ achteruitgang in cognitie, grotendeels zelfstandig zal blijven functioneren (mits niet gehinderd door lichamelijke of andere factoren).

    Wat is de verklaring van Salthouse voor het uitblijven van achteruitgang in iadl-functies?

    Salthouse (2012) stelt dat ouderen vaak vertrouwen op eerder opgedane kennis bij het oplossen van dagelijkse problemen, waardoor ze minder last hebben van cognitieve achteruitgang. Daarnaast kunnen ouderen zich aanpassen aan leeftijdsgebonden achteruitgang, bijvoorbeeld door hun rijgedrag aan te passen (zoals niet meer ’s nachts of op drukke snelwegen rijden). Er is echter nog weinig bekend over hoe mensen zich precies aanpassen aan verminderde cognitieve vaardigheden.

    Wat is een andere verklaring voor het uitblijven van achteruitgang in iadl-functies?

    dat niet alleen cognitieve vermogens het dagelijks functioneren bepalen. Andere factoren, zoals persoonlijkheid, emotionele en praktische intelligentie, en beslissingsvaardigheden, kunnen de achteruitgang in cognitieve vermogens compenseren, hoewel hier nog weinig empirisch bewijs voor is. De socio-emotionele-selectiviteitstheorie (SEST) biedt ook een verklaring: ouderen richten zich meer op emotioneel betekenisvolle doelen doordat zij de tijd die hen rest als beperkt ervaren, wat hun motivatie beïnvloedt.

    Wat is therapeutische diagnostiek?

    Het model van ‘therapeutische diagnostiek’ is gebaseerd op persoonlijkheidsdiagnostiek en benadrukt samenwerking tussen cliënt en psycholoog. De cliënt wordt niet alleen als informatiebron gezien, maar als expert over zijn eigen leven, terwijl de psycholoog expert is in diagnostiek en behandelingen. Beide werken samen in alle fasen van het diagnostische proces, zoals het bepalen van doelen, interpreteren van bevindingen en rapportage. Respect, vertrouwen, nieuwsgierigheid en transparantie zijn kernwaarden in deze benadering.

    Wat ontdekten Keady en Gilliard over vroegtijdige diagnostiek?

    Keady en Gilliard (2002) ondervroegen Alzheimer-patiënten over hun ervaring met neuropsychologisch onderzoek. Veel cliënten begrepen de bedoeling van het onderzoek niet goed en wisten niet hoe het onderzoek hun functioneren zou beoordelen of relevant zou zijn voor hun leven. Sommigen ervoeren het onderzoek als vervreemdend, confronterend of bedreigend, wat hun gedrag beïnvloedde. De auteurs waarschuwen dat dergelijke ervaringen de indruk kunnen wekken dat vroegtijdige diagnostiek niet helpt bij het leren omgaan met dementie.

    Wat is progressive disclosure?

    Hoe diagnostiek wel kan helpen, onderzochten Lecouturier e.a. (2008) en Byszewski e.a. (2009). Zij onderzochten de vraag hoe mensen met dementie en hun mantelzorgers meegenomen willen worden in de resultaten van onderzoek, in het bijzonder het bespreken van de diagnose dementie. Zij bleken een voorkeur te hebben voor progressive disclosure: een stapsgewijze onthulling van de diagnose. Juist neuropsychologische diagnostiek volgens het model van therapeutische diagnostiek sluit hierbij aan, door tijdens het gehele onderzoek stil te staan bij de vragen, gedachten en gevoelens van de cliënt en diens ervaringen.

    Welke instrumenten kunnen gebruikt worden voor heteroanamnese?

    Er bestaan verschillende gestandaardiseerde vragenlijsten en gedragsobservatieschalen die bij de heteroanamnese gebruikt kunnen worden. Voorbeelden zijn het Interview voor Dagelijkse Levensverrichtingen bij Dementie (Teunisse & Derix, 1991) en de verkorte informant-vragenlijst over cognitieve achteruitgang bij ouderen (Informant Questionnaire on Cognitive Decline in the Elderly: IQCODE) (De Jonghe, 1997).

    Hoe wordt zicht verkregen in de aard en de ernst van cognitieve stoornissen?

    Om zicht te krijgen op de aard en de ernst van iemands cognitieve stoornissen, wordt gebruikgemaakt van een neuropsychologisch onderzoek. Zo wordt duidelijk wat iemands sterke en zwakke kanten zijn op het cognitieve vlak. Daarnaast is het belangrijk om het niveau van het alledaags functioneren, de copingstijl, de stemming, de vermoeidheid, de pijn, de persoonlijkheidsfactoren en de eventuele gedragsproblemen in kaart te brengen. Deze factoren kunnen van invloed zijn op het cognitieve functioneren en het leervermogen

    Wat is de link tussen leerbaarheid en inzicht in eigen functioneren?

    De mate van leerbaarheid wordt onder andere beïnvloed door de motivatie van een cliënt om (nieuwe) vaardigheden te leren. Hierbij speelt het inzicht in het eigen functioneren een belangrijke rol. Motivatie voor cognitieve revalidatie en dus voor het leren of opnieuw leren van vaardigheden zal immers afhangen van de mate waarin een cliënt zelf herkent dat er een probleem is en van de mate waarin hij daar in het dagelijks leven ook last van heeft.

    Welke interventies kunnen gebruikt worden om ziekte-inzicht te vergroten?

    Er worden twee soorten interventies onderscheiden voor het vergroten van ziekte-inzicht: psycho-educatie, en de cliënt herhaaldelijk confronteren met de beperkingen, bijvoorbeeld door de cliënt de problemen te laten ervaren. Deze laatste interventie dient zorgvuldig en doordacht te worden ingezet, aangezien een beperkt ziekte-inzicht kan voortkomen uit een psychologisch defensiemechanisme: het beperkte inzicht heeft dan een beschermende functie

    Wanneer is psycho-educatie nuttig?

    Wanneer een gebrek aan informatie of ervaring een rol speelt bij het beperkte ziekte-inzicht, wordt voorondersteld dat het ziekte-inzicht met behulp van psycho-educatie en confrontatie te vergroten zal zijn. Er dient te worden nagegaan of psycho-educatie over de hersenaandoening en de mogelijke gevolgen daarvan is aangeboden, en of deze informatie ook is opgenomen en begrepen.

    Wat is de abc-methode? (conditionering en gedragsbehandeling)

    Een methode aan de hand waarvan concreet probleemgedrag in de klinische praktijk geanalyseerd en veranderd kan worden is de ABC-methode: antecedents-behaviour-consequences oftewel actie-beweger-consequentie. Allereerst worden het probleemgedrag (behaviour), de uitlokkers van het gedrag (antecedents) en de eventuele gevolgen (consequences) van het gedrag in kaart gebracht. Vervolgens wordt getracht de antecedenten van het probleemgedrag zo veel mogelijk te beperken, zodat het probleemgedrag minder vaak wordt uitgelokt. Indien nodig worden de consequenties van het gedrag veranderd, zodat het gewenste gedrag wordt bekrachtigd en het ongewenst gedrag uitdooft.

    Wat is het verschil tussen strategietraining en vaardigheidstraining?

    Anders dan bij een vaardigheidstraining wordt een strategie aangeleerd die toepasbaar is in een categorie van situaties, in plaats van één vast gedrag dat in één specifieke situatie dient te worden ingezet. Het gaat dus om een ‘algemene’ aanpak die kan worden toegepast in verschillende situaties die een bepaalde overeenkomst hebben, zoals situaties waarin tijdsdruk kan ontstaan. Om baat te hebben bij een strategietraining, is het van belang dat de cliënt zelf kan herkennen in welke situatie en wanneer de strategie toegepast moet worden.

    Wat is het verschil tussen NCS en MCI?

    DSM-5 vervangt de term "dementie" door ernstige neurocognitieve stoornis (ernstige NCS) om stigmatisering te voorkomen.
  • Domeinen van ernstige NCS:
    • Complexe aandacht
    • Uitvoerende functies
    • Geheugen en leervermogen
    • Taal
    • Perceptueel-motorische functies
    • Sociale cognitie
  • Beperkte NCS (lichte cognitieve beperking):
    • Kenmerk: lichte achteruitgang in functioneren die geen belemmering vormt voor onafhankelijk functioneren, maar wel meer inspanning vraagt.
    • Ook aangeduid als mild cognitive impairment (MCI).
  • Hoe vaak komt dementie voor in NL?

    Het aantal mensen met dementie in Nederland wordt geschat op 270.000. Dit zal oplopen tot meer dan een half miljoen in 2040 (Alzheimer Nederland, 2016). Leeftijd vormt de belangrijkste risicofactor voor de ziekte van Alzheimer. Hoe hoger de leeftijd, hoe vaker ook cerebrovasculaire schade een rol kan gaan spelen. Boven de 80 jaar is bij 70-80% van de ouderen met dementie sprake van een combinatie van de ziekte van Alzheimer en vasculaire dementie. Goede preventie en behandeling van hart- en vaatziekten kunnen leiden tot een vermindering van dementie

    Wat is de zorgstandaard dementie?

    De zorg in Nederland is georganiseerd in Dementieketens waar de belangrijkste zorgaanbieders uit een regio verantwoordelijk zijn voor de zorg in die regio. De ideale zorg is beschreven in de Zorgstandaard dementie (Alzheimer Nederland/Vilans, 2013). De huisarts is verantwoordelijk voor de medische zorg, de casemanager voor de overige zorg en welzijn. Iedereen in Nederland heeft volgens de Zorgstandaard dementie na de diagnose dementie recht op een casemanager.

    Wat zijn cognitief georiënteerde interventies?

    Deze interventies zijn gericht op het verbeteren of behouden van cognitieve functies en het aanleren van strategieën om beter om te gaan met cognitieve beperkingen. Voorbeelden zijn cognitieve stimuleringsprogramma’s en cognitieve rehabilitatie die helpen bij het verbeteren van vaardigheden zoals geheugen en probleemoplossing.

    Wat zijn emotiegeoriënteerde interventies?

    Het doel van deze interventies is het bevorderen van emotioneel welzijn en het behoud van identiteit bij mensen met dementie. Voorbeelden zijn activiteiten zoals reminiscentie, muziektherapie en zintuigstimulering (zoals snoezelen), die bijdragen aan ontspanning, het behoud van zelfwaardering en het verbeteren van sociaal contact.

    Wat zijn pyschotherapeutische interventies?

    Deze interventies richten zich op het behandelen van psychologische klachten zoals angst, depressie en rouw bij mensen met dementie. Cognitieve gedragstherapie en groepspsychotherapie zijn voorbeelden, die helpen bij het verminderen van angst of het omgaan met de gevolgen van geheugenproblemen.

    Wat zijn intramurale multidisciplinaire programma's?

    Deze programma’s worden toegepast in zorginstellingen voor mensen met gevorderde dementie. Ze richten zich op het bieden van intensieve zorg en het behandelen van gedrags- en stemmingsproblemen door een team van verschillende zorgprofessionals, waaronder psychologen, en gebruiken een op maat gemaakte benadering voor elk individu.

    Welke adaptieve taken bij dementie (Droës et al. 2015) zoals omschreven in hoofdstuk 30 van het handboek herken je in de videofragmenten?

    • Omgaan met beperkingen in het dagelijks leven is zowel bij Ina als bij Gerard duidelijk te zien.
    • De worsteling in het behoud van emotioneel evenwicht en positieve zelfwaardering is bij Ina te zien.
    • Omgaan met een onzekere toekomst komt bij zowel Ina als haar zoon naar voren.
    • Het opbouwen van een adequate relatie met zorgprofessionals en het aanpassen aan een nieuwe woonomgeving komt in latere videofragmenten aan bod.

    De vragen op deze pagina komen uit de samenvatting van het volgende studiemateriaal:

    • Een unieke studie- en oefentool
    • Nooit meer iets twee keer studeren
    • Haal de cijfers waar je op hoopt
    • 100% zeker alles onthouden
    Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.
    Trustpilot-logo