Veroudering vanuit een klinisch perspectief - Stemming en persoonlijkheid

34 belangrijke vragen over Veroudering vanuit een klinisch perspectief - Stemming en persoonlijkheid

Wat is de cognitieve component bij emoties?

Aan emoties wordt vaak een cognitieve component toegekend, vooral bij de inschatting van de betekenis van de stimulus die een emotie oproept. Volgens Izard en Ackerman (1997) echter staat niet bij alle emoties een cognitieve component op de voorgrond: zij onderscheiden cognitieafhankelijke en cognitieonafhankelijke emoties. Genetische bepaaldheid zou invloed hebben op de rol van cognitie en ook zouden emotionele reacties volgens de auteurs al kunnen optreden nog voordat er een cognitieve evaluatie is. Toch krijgt de cognitie meestal een belangrijke rol in de betekenisgeving aan de gepercipieerde stimulus.

Waarom raakt stemming de kern van ons bestaan?

Gevoelens en emoties zijn van voorbijgaande aard; stemmingen hebben een langduriger karakter. Stemmingen bepalen de waardering van de levenssituatie als geheel, in tegenstelling tot gevoelens, die iets specifieks waarderen. Omdat stemming betrekking heeft op meer existentiële thema’s, raakt stemming daarom meer aan de kern van ons bestaan. Hoe iemand zich voelt in zijn levenssituatie en hoe hij zich voelt ten opzichte van zijn leven of zijn bestaan als geheel, kunnen we aanduiden als grondstemming.

Wat is de paradox van welbevinden?

De meeste oudere volwassenen voelen zich over het algemeen redelijk gelukkig, ondanks dat velen te maken krijgen met ingrijpende gebeurtenissen. Dit wordt de paradox van welbevinden genoemd. Ze ervaren meer positieve emoties dan negatieve, of in elk geval herinneren ze zich meer prettige gebeurtenissen in hun leven en rapporteren ze prettige gebeurtenissen vaker dan onprettige
  • Hogere cijfers + sneller leren
  • Niets twee keer studeren
  • 100% zeker alles onthouden
Ontdek Study Smart

Wat werd ontdekt over de toename of afname van positief effect op latere leeftijd?

De Grant Study volgde meer dan 250 mannen gedurende 75 jaar, vanaf hun late adolescentie tot op hoge leeftijd. Hieruit bleek dat geluk ook op latere leeftijd aanwezig kan zijn, vooral door warme relaties in het leven. Ander onderzoek toont echter dat bij 75-plussers positief affect afneemt en negatief affect toeneemt, waarschijnlijk door biologische veroudering en afname van fysieke of psychische competenties

Wat verklaart emotionele verschillen tussen jongeren en ouderen?

Emotionele verschillen tussen jongere en oudere volwassenen komen vooral voort uit veranderende doelen, waarden, motieven en verwachtingen (attributiestijlen en belangen) gedurende het leven, terwijl het emotieproces zelf grotendeels stabiel blijft. Wat mensen als belangrijk beschouwen, zoals gezondheid, verschuift afhankelijk van de levensfase: jongere mensen richten zich meer op het vermijden van ziekte, terwijl ouderen meer belang hechten aan het behoud van gezondheid voor zelfstandigheid en activiteiten.

Wat is de link tussen SEST en emotieregulatie?

Volgens de socio-emotionele selectiviteitstheorie doelen en motivaties veranderen met de leeftijd door een verschuiving in tijdsperspectief. Jongeren focussen op exploratie en informatie zoeken, terwijl ouderen meer belang hechten aan emotioneel betekenisvolle doelen. Dit leidt tot selectiever sociaal contact, waarbij relaties met vertrouwde personen die bijdragen aan positieve emoties de voorkeur krijgen. . In de latere levensfasen, wanneer men beseft dat tijd beperkt is, worden emotioneel betekenisvolle doelen belangrijker. Dit bevordert de emotieregulatie, die gedefinieerd wordt als behoud van positief affect en afname van negatief affect

Wat stelt de cognitieve-affectieve ontwikkelingstheorie?

Volgens de cognitieve-affectieve ontwikkelingstheorie (Labouvie-Vief, 1996) ontwikkelen cognitie en emotie zich grotendeels afzonderlijk, maar worden ze in de latere volwassenheid geïntegreerd. Dit biedt ouderen meer mogelijkheden voor aanpassing en leidt tot complexere cognitie en een genuanceerdere expressie en begrip van emoties.

Wat stelt de theorie van differentiële emoties?

De theorie van differentiële emoties stelt dat primaire emoties stabiel blijven door hun neurologische basis, maar dat emotionele beleving en expressie complexer worden door cognitieve en gedragsmatige ontwikkeling. Dit leidt tot beter herkennen, reguleren en verfijnen van emoties gedurende het leven.

Wat is het verschil tussen normale depressieve gevoelens en een depressie?

Depressieve gevoelens horen bij het leven. Iedereen voelt zich wel eens somber en lusteloos, heeft minder plezier of geen zin in activiteiten. Dat is meestal een reactie op vervelende ervaringen, of op tegenslagen: een normale reactie. Een depressie onderscheidt zich echter door de intensiteit, de symptomatologie en duur van de verschijnselen van een sombere bui.

Waarom worden depressies bij ouderen onvoldoende herkend?

Verschijnselen worden door de ouderen zelf en hun omgeving, maar ook door professionals toegeschreven aan het normale ouder worden. Lichamelijke klachten worden alleen toegeschreven aan een lichamelijke aandoening en worden niet gezien als uiting van het psychisch functioneren. Geheugenklachten worden toegeschreven aan dementie.
Depressieve gevoelens kunnen worden gemaskeerd door een ‘glimlach’: de presentatie is niet depressief, omdat de oudere zich nog opgewekt voordoet. Bovendien rapporteren ouderen vaker positieve ervaringen en gevoelens dan negatieve, zeker als er niet expliciet naar gevraagd wordt.

Wat is depression-executive dysfunction syndrome?

Vasculaire risicofactoren zijn als oorzaak voor depressie gezien, waarbij zelfs werd aangenomen dat er een specifiek vasculair depressieve-symptomenprofiel zou zijn met executieve kenmerken, depression-executive dysfunction syndrome genoemd (Alexopoulos e.a., 2000; 2002). Recenter onderzoek is minder uitgesproken over een vasculaire oorzaak van depressie. Wel zijn vasculaire risico’s en hiermee samenhangende afwijkingen in de hersenen geassocieerd met een slechte respons op medicamenteuze behandeling

In welke groepen kunnen risicofactoren voor depressie ingedeeld worden?

Op basis van de verschillende (overzichts)onderzoeken kunnen we de veelheid van factoren ordenen in enkele groepen: biologische, psychologische en sociale factoren. Een dergelijke ordening of indeling suggereert dat de factoren op zichzelf staan, maar er is vaak sprake van interactie. Biologische factoren bijvoorbeeld hebben ook een psychologische component. Een chronische aandoening vraagt coping en daarvoor is de betekenis die de aandoening voor de betreffende persoon heeft belangrijk. Ook persoonlijkheidsfactoren spelen hierin een rol. Factoren kunnen samenhangen en dat maakt de vraag of iets een risicofactor is een complexe vraag, die een goede analyse vereist.

Wat is het verband tussen depressie en somatische stoornissen?

De relatie tussen een depressie en gelijktijdig aanwezig zijn van een somatische stoornis kan tweevoudig zijn: medische problemen leiden tot een gevoeligheid voor depressie en zijn dus risicofactoren, maar ook kan de depressie invloed hebben op de algehele conditie en tot stoornissen leiden

Waarom geniet de gds de voorkeur boven andere instrumenten?

Hoewel in publicaties vaak de Zung Self-rating Depression Scale (Zung SDS: Zung, 1965) en de Beck Depression Inventory (BDI: Beck e.a, 1961) worden genoemd, worden deze in Nederland bij ouderen weinig gebruikt. Kok (1994) heeft de gds vergeleken met de toepassing van de Zung sds, de bdi en de ces-d, en kwam tot de conclusie dat van de zelfbeoordelingsschalen de gds de voorkeur verdient omdat betrouwbaarheid en validiteit in de toepassing bij ouderen het beste is in vergelijking met de andere instrumenten

Wat zijn voorbeelden van psychologische behandelinterventies bij depressie?

Diverse psychologische behandelingen zijn effectief bij depressieve ouderen, met gedragstherapie en cognitieve gedragstherapie (CGT) als meest onderzocht. CGT richt zich op het aanpassen van negatieve gedachten en stimuleren van plezierig gedrag. Het wordt aanbevolen als eerste keuze bij ouderen met depressie. Hoewel CGT even effectief is als medicatie of andere therapieën, ontbreekt specifieke differentiatie. Internet-CGT toont goede resultaten, maar onderzoek bij ouderen is beperkt. Ook interpersoonlijke therapie, oplossingsgerichte therapie en life review blijken effectief, met toenemende wetenschappelijke onderbouwing.

Wat is interpersoonlijke therapie voor depressie?

Interpersoonlijke therapie, ontwikkeld voor depressie, richt zich op roltransities, rouw, conflicten en relationele tekorten. De gestructureerde aanpak is aantrekkelijk voor ouderen en effectief gebleken, ook met aanpassingen voor cognitieve beperkingen. Bij medische problemen kan het effect echter verminderd zijn.

Wat is life reviewtherapie?

Life-reviewtherapie is een gestructureerde methode om positieve en negatieve herinneringen te evalueren en integreren, individueel, in groepen, of online. Het wordt vaak gecombineerd met andere therapieën, zoals CGT of narratieve therapie. Interventies als ‘Op verhaal komen’ en ‘Op zoek naar zin’ zijn effectief bij lichte depressieve klachten en kunnen depressie verminderen door meer positieve zelfverhalen en toekomstbeelden te bevorderen

Hoe moet er omgegaan worden met depressies met psychotische kenmerken?

Depressies met psychotische kenmerken kunnen verwarrend zijn voor mantelzorgers en hulpverleners, vooral als het psychotische karakter van de wanhoop en het piekeren niet wordt herkend. Zorgen lijken vaak reëel, wat leidt tot frustratie bij verzorgers. De meeste psychotische depressies zijn melancholisch, met fysieke remming en agitatie. Psychotherapie is niet effectief, maar steunende gespreksvoering, begrip tonen en uitleg over de verstoring van het denken kunnen helpen. Het betrekken van mantelzorgers en het benadrukken van het herstel van het ‘zieke denken’ is cruciaal voordat intensievere psychotherapie mogelijk is.

Welke overige behandelingen zijn er voor depressieve ouderen?

Behandeling van depressie bij ouderen richt zich op klachten, oorzaken en het ontwikkelen van een positief toekomstperspectief. Dit omvat psycho-educatie, dagstructuur, preventieve interventies, en psychologische en medische behandelingen. Interventies gericht op fysieke activiteit, zoals psychomotorische therapie, bewegingstherapie, en danstherapie, worden toegepast, hoewel ze minder onderzocht zijn op effectiviteit. Creatieve therapieën zoals muziek- en beeldende therapie zijn gangbaar, maar onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd. Deze kunnen preventief of aanvullend worden ingezet bij chronische depressies, vaak als onderdeel van een multidisciplinaire behandeling

Wat is bekend over paniekstoornissen bij ouderen?

  • Dit;
  • Paniekstoornissen komen zeldzaam voor bij ouderen, minder dan bij jongere volwassenen.
  • Kenmerkend zijn herhaalde paniekaanvallen met langdurige angst en onrust.
  • Tijdens paniekaanvallen ervaren ouderen lichamelijke sensaties (bijv. hartkloppingen, benauwdheid) die vaak leiden tot onterecht medisch onderzoek.
  • Vermijdingsgedrag kan optreden na paniekaanvallen.
  • Ouderen ervaren paniekstoornissen anders: minder fysieke symptomen en minder ernstige gevallen dan jongere volwassenen.

Wat is bekend over OCD bij ouderen?

Bij ouderen komen obsessieve-compulsieve en verwante stoornissen weinig voor (0,6%: Beekman e.a., 1998) en meestal bestaat de stoornis al jarenlang. Door verandering in de leefomstandigheden kan de stoornis manifest worden.

Welke woorden moeten gebruikt worden ipv 'angst' bij diagnostische gesprekken?

De term angst kan beter vermeden worden, omdat mensen zich daarin vaak niet herkennen, maar wel in ‘zorgen’ of ‘nerveus zijn’

Wat voor instrument is de GAS?

Diagnostiek kan verder worden uitgevoerd met zelfbeoordelingsvragenlijsten en observatieschalen. Er zijn slechts enkele instrumenten speciaal ontwikkeld voor toepassing bij ouderen: De Geriatric Anxiety Inventory (GAI: Pachana e.a., 2007) en de Geriatric Anxitey Scale (GAS: Segal e.a., 2010). De GAS heeft 30 items die somatische, cognitieve en affectieve symptomen meten. De GAI bestaat uit 20 items, kost weinig tijd om in te vullen en is in vele talen vertaald, onder andere in het Nederlands. Psychometrische gegevens zijn echter nog niet voorhanden.

Wat zijn de worry scale en de sas?

Van de Worry Scale (Wisocki, 1988) is een Nederlandse vertaling beschikbaar. De lijst onderzoekt bezorgdheid over diverse thema’s, zoals gezondheid en sociale gebeurtenissen. De Senior Angstschaal (sas) bevat items over angst en ‘zich zorgen maken’ (Schuurmans, 2006). Het is een vrij lange vragenlijst met meer dan 70 items die in vier factoren te onderscheiden zijn; ze hebben betrekking op angst voor achteruitgang van de gezondheid en de gevolgen ervan, voor financiële problemen, voor sociale isolatie, en voor levensbedreigende situaties. Het gebruik in de klinische praktijk is nog onvoldoende onderzocht.

Wat zijn de HADS en de SCL?

Andere zelfbeoordelingsvragenlijsten zijn voor jongere volwassenen ontwikkeld, maar in de loop van de tijd zijn er wel aangepaste normen voor ouderen verschenen. Een voorbeeld is de Hospital Anxiety and Depression Scale (HADS: Zigmond & Snaith, 1983; Nederlandse vertaling beschikbaar). Er zijn normen voor ouderen ontwikkeld (65+: Spinhoven e.a., 1997). De Symptom Check List (90 items) (SCL-90: Derogatis e.a., 1973; Nederlandse vertaling beschikbaar) heeft een subschaal voor angst en wordt ook voor ouderen gebruikt. Voor specifieke angststoornissen zijn specifieke instrumenten beschikbaar

Welke medisch-biologische interventies kunnen gebruikt worden bij angst?

  • Medicatie is effectiever dan cognitieve gedragstherapie (CGT), vooral in de acute fase van angst.
  • Angst dempende middelen zoals anxiolytica en benzodiazepinen worden vaak gebruikt, maar hebben nadelen zoals verslaving en spierverslapping.
  • Moderne antidepressiva (selectieve serotonineheropnameremmers, SSRI's) hebben minder bijwerkingen dan angstmedicatie en worden tegenwoordig vaak voorgeschreven.
  • Als SSRI's niet effectief zijn, kunnen tricyclische antidepressiva (TCA's) worden ingezet.
  • Lichamelijke aandoeningen en het gebruik van andere medicijnen kunnen de effectiviteit van antidepressiva beïnvloeden.

Wat zijn de ontwikkelingsstadia van Erikson?

  • Dit;
  • Erikson's psychosociale ontwikkelingsstadia: Acht levensfasen met conflicten die de persoon moet oplossen om naar de volgende fase over te gaan.
  • Vijf stadia in de kind- en jeugdjaren:
    • Vertrouwen vs. Fundamenteel wantrouwen
    • Zelfstandigheid vs. Schaamte/twijfel
    • Initiatief vs. Schuldgevoel
    • Vlijt vs. Minderwaardigheid
    • Identiteit vs. Rolverwarring
  • Drie stadia in volwassenheid en ouderdom:
    • Intimiteit vs. Isolement
    • Openstaan voor verandering vs. Stagnatie
    • Ego-integriteit vs. Wanhoop (specifiek voor ouderen, waarbij het belangrijk is om tevreden terug te kijken op het leven).
  • Essentie: Stagnaties in deze ontwikkelingstaken kunnen leiden tot pathologische persoonlijkheidskenmerken.

Wat is heterotypische continuïteit?

Mroczek e.a. (1999) introduceerden hiervoor de term heterotypische continuïteit. Deze term betekent dat onderliggende persoonlijkheidstrekken grotendeels stabiel blijven gedurende de levensloop, maar dat de vorm waarin ze tot uitdrukking komen, verandert per levensfase door levensfasespecifieke factoren (Mroczek e.a., 1999). Zo kan het accent van gedragsuitingen van iemand met een antisociale-persoonlijkheidsstoornis in de kindertijd liggen op treiteren van dieren, in de adolescentie op afpersing met fysieke bedreiging, tijdens de jongvolwassenheid op gewelddadige bankovervallen, en op oudere leeftijd in het organiseren van grootschalige witwaspraktijken

Wat gebeurt er met de Big Five in ouderdom?

  • Dit;
  • Instabiliteit van persoonlijkheidstrekken: Er zijn aanwijzingen dat persoonlijkheidstrekken veranderen door de jaren heen.
  • Veranderingen met leeftijd:
    • Consciëntieusheid en altruïsme nemen toe met het ouder worden.
    • Extraversie, neuroticisme en openheid nemen af op latere leeftijd.
  • Na het 70e jaar: Er is een lichte stijging van neuroticisme, mogelijk door toename van fysieke en cognitieve klachten.

Wat zijn Cluster A perssonlijkheidsstoornissen?

  • Deze;
Cluster A Persoonlijkheidsstoornissen:
  • Types: Paranoïde-, schizoïde- en schizotypische-persoonlijkheidsstoornis.
  • Kenmerken:
    • Paranoïde: Wantrouwen en achterdocht, interpreteren van beweegredenen van anderen als kwaadwillig.
    • Schizoïde: Afstandelijkheid in sociale relaties, beperkt in het uiten van emoties.
    • Schizotypische: Sociale beperkingen, wantrouwen, perceptuele vervormingen, eigenaardigheden in gedrag.
  • Gemeenschappelijke kenmerken:
    • Cognitieve-perceptuele stoornissen zoals achterdocht en psychotische ervaringen.
    • Sociale isolatie.

Wat is bekend over Cluster A persoonlijkheidsstoornissen bij ouderen?

  • Dit;
  • Vreemd of excentriek gedrag, beperkte emotionele expressie.
  • Verergering van achterdocht of psychotische belevingen door achteruitgang van zintuiglijke of cognitieve functies.
  • Vermijden of weigeren van zorg, wat een probleem kan zijn bij toenemende somatische aandoeningen.
  • Sociaal isolement: Het is belangrijk te onderzoeken of sociaal isolement het gevolg is van een persoonlijkheidsstoornis of van verlies van contacten door overlijden van familie en vrienden.

Wat is bekend over Cluster B persoonlijkheidsstoornissen bij ouderen?

  • Dit;
  • Borderline: Afname van impulsiviteit met de leeftijd; focus verschuift naar depressieve gevoelens en verlatingsangst, vaak verergerd door verlies van naasten.
  • Antisociale: Aanhoudend niet-conformerend gedrag, maar minder non-verbale agressie door afnemende fysieke conditie.
  • Narcistische: Risico op overgang van 'onovertroffen held' naar 'vermoeide held' na pensionering, mogelijk verhoogde kans op depressie door afname van bewondering en maatschappelijke rol.
  • Histrionische: Tendens om somatiserend gedrag te vertonen, met buitensporige lichamelijke klachten zonder somatische oorzaak.

Hoe ziet persoonlijkheidsonderzoek bij ouderen eruit?

Persoonlijkheidsonderzoek bij ouderen is een complex en doorgaans stapsgewijs proces waarbij gebruik wordt gemaakt van gedragsobservaties, onderzoeksgesprekken en meetinstrumenten. Bij de onderzoeksgesprekken worden zowel de patiënt als informanten, zoals partner of kinderen betrokken om te komen tot de klachteninventarisatie (anamnese en heteroanamnese), levensloopgegevens (auto- en heterobiografie) en het algemeen psychisch functioneren van de patiënt. De meetinstrumenten dragen bij aan het op een gestandaardiseerde wijze komen tot een diagnostische uitspraak. Daarnaast kan aanvullend medisch onderzoek, zoals een neurologisch of geriatrisch consult, worden aangevraagd met als doel een somatische oorzaak uit te sluiten

Cluster C in Brightspace:

Bij cluster C-persoonlijkheidsstoornissen (vermijdende, afhankelijke en dwangmatige persoonlijkheidsstoornis) staan angst, insufficiëntiegevoelens en rigiditeit op de voorgrond. Door veranderingen in de derde en vierde levensfase kunnen angsten in intensiteit toenemen. Zo kunnen ouderen met een vermijdende persoonlijkheidsstoornis uit angst sociale gelegenheden vermijden, ouderen met een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis een toenemend afhankelijk en claimend beroep doen op de omgeving uit angst om in de steek gelaten te worden en ouderen met dwangmatige persoonlijkheidsstoornis kan de angst om de controle te verliezen zich uiten in bijvoorbeeld een vergeetfobie.

De vragen op deze pagina komen uit de samenvatting van het volgende studiemateriaal:

  • Een unieke studie- en oefentool
  • Nooit meer iets twee keer studeren
  • Haal de cijfers waar je op hoopt
  • 100% zeker alles onthouden
Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.
Trustpilot-logo