BS : Organisatie van de zorg - Beroepsvorming van generalisten

13 belangrijke vragen over BS : Organisatie van de zorg - Beroepsvorming van generalisten

Wat is het nut van de wet BIG?

De wet BIG heeft het beroep van de psycholoog in de gezondheidszorg aanzienlijk versterkt door:

1. Een verhoging van de opleidingsstandaard.

2. De emancipatie van de psycholoog tov andere disciplines in de gezondheidszorg.

3. Doordat het de psychologie in de gezondheidszorg een duidelijk eigen gezicht heeft gegeven: een afgebakende beroepsgroep met een eigen identiteit en infrastructuur.

Welke twee basisberoepen en welke twee specialismen vallen onder de wet BIG? Geef ook een schatting van het aantal mensen met die beroepen in Nederland.

Basisberoepen:
gz-psycholoog, circa 15000 beroepsbeoefenaars
Psychotherapeut, circa 7000 beroepsbeoefenaars
Specialismen:
klinisch psycholoog, circa 2000 beroepsbeoefenaars
klinisch neuropsycholoog, circa 150 beroepsbeoefenaars.

Met welke vier hoofdtaken houdt de FGzPt zich bezig?

De vier hoofdtaken van de FGzPt zijn:
1. Opleiding
2. Erkenning
3. Registratie
4. Toezicht
  • Hogere cijfers + sneller leren
  • Niets twee keer studeren
  • 100% zeker alles onthouden
Ontdek Study Smart

Wat is de relatie tussen de vier hoofdtaken van het FGzPt en (a) het College specialismen gezondheidszorgpsychologen en psychotherapeuten, (b) de Commissie registratie en toezicht en (c) de Opleidingsraad?

a) Het College specialismen gezondheidszorgpsychologen en psychotherapeuten houdt zich bezig met de eerste twee taken opleiding en erkenning.

b) De Commissie registratie en toezicht met de derde en vierde taak, registratie en toezicht.

c) De opleidingsraad adviseert het College specialismen gezondheidszorgpsychologen en psychotherapeuten en de Commissie registratie en toezicht.

Welke drie verenigingen/instituten zijn lid van de FGzPt? Geef zowel de afkorting van de verenigingen/instituten als de volledig uitgeschreven naam.

  1. Het Nederlands Instituut voor Psychologen (NIP)
  2. De Nederlandse Vereniging voor Pedagogen en Onderwijskundigen (NVO)
  3. De Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie (NVP)

Wat is het NIP? Geef aan waar de afkorting voor staat en wat voor een vereniging het is. Benoem eveneens de voorganger van het NIP.

Het NIP is het Nederlands Instituut van Psychologen. Het is een algemene psychologenvereniging en een representatieve vertegenwoordiger van de beroepsgroep. Het Nederlandsch Instituut voor Praktizeerend Psychologen was de voorloper van het NIP en werd in 1938 opgericht.

Noem vier kenmerken van een psycholoog met het dienstmerk Psycholoog NIP.

Als een psycholoog het dienstmerk Psycholoog NIP heeft, is het duidelijk dat hij/zij
  1. lid is van de beroepsvereniging NIP
  2. beschikt over een universitair diploma psychologie
  3. minstens 1440 uur werkervaring heeft als psycholoog en
  4. zich aan de beroepscode houdt.

Wat zijn de belangrijkste bevindingen in de brochure 'GGZ in tabellen 2011' (Veerbeek, Knispel & Nuijen, 2012) voor wat betreft de lifetime-prevalentie (ooit in het leven) en jaarprevalentie van psychische stoornissen?

In totaal heeft 43,5 procent van de Nederlandse bevolking ooit in het leven een psychische stoornis gehad. Op jaarbasis heeft 18 procent van de volwassenen een psychische stoornis.

Wat zijn de belangrijkste bevindingen in de brochure 'GGZ in tabellen 2011' (Veerbeek, Knispel & Nuijen, 2012) voor wat betreft het vóórkomen van stemmingsstoornissen, angststoornissen en middelenstoornissen?

Stemmingsstoornissen, angststoornissen en middelenstoornissen komen allemaal ongeveer even vaak voor. Eén op de vijf volwassenen in Nederland krijgt ooit in het leven last van een stemmingsstoornis, een angststoornis of een middelenstoornis. Elk jaar krijgt 5 tot 10 procent van de Nederlandse volwassenen met één van deze stoornissen te maken

Wat zijn de belangrijkste bevindingen in de brochure 'GGZ in tabellen 2011' (Veerbeek, Knispel & Nuijen, 2012) voor wat betreft sekseverschillen bij de verschillende stoornissen?

Vrouwen zijn vaker dan mannen gediagnosticeerd met een stemmings- of angststoornis. Zij hebben ook een grotere kans om deze voor het eerst te krijgen. De depressieve stoornis, specifieke fobie en de sociale fobie komen relatief het vaakst voor bij vrouwen. Verder zijn vrouwen vaker gediagnosticeerd met dysthymie en een paniekstoornis dan mannen.

Mannen krijgen juist vaker de diagnose middelenstoornis toegewezen en hebben een grotere kans om deze stoornis voor het eerst te krijgen. Alle middelenstoornissen komen vaker voor bij mannen dan bij vrouwen. De bipolaire stoornis komt bij mannen en vrouwen op jaarbasis ongeveer even vaak voor

Wat zijn de belangrijkste bevindingen voor wat betreft de internationale vergelijking van jaarprevalenties van het totaal aantal psychische stoornissen (studietaak 1.2.4.4)? En wat is er te zeggen over Nederland?

De Verenigde Staten zijn koploper als het gaat om het percentage mensen dat op jaarbasis een psychische stoornis had (26,2%). In Italië en Spanje is dit percentage een stuk lager (< 10%). In Nederland is het aantal volwassenen met een psychische stoornis op jaarbasis bijna de helft van het aantal in de Verenigde Staten (13,4%; Veerbeek, Knispel & Nuijen, 2012).

Hoe verhouden de verschillende stoornissen zich tot elkaar binnen de landen (studietaak 1.2.4.5)?

Angststoornissen komen het meeste voor, behalve in Oekraïne waar stemmingsstoornissen het meeste voorkomen.

In Duitsland is het verschil in voorkomen tussen stemmingsstoornissen en angststoornissen het grootst. Angststoornissen komen daar meer dan twee keer zo veel voor dan stemmingsstoornissen.

Opvallend is verder dat een middelenstoornis in Oekraïne relatief vaak voorkomt.

Bij het vergelijken van cijfers op internationaal niveau moeten we in het achterhoofd houden dat culturele verschillen een rol kunnen spelen in de wijze waarop mensen hun psychische klachten presenteren en hun openheid om hierover te spreken (Veerbeek, Knispel & Nuijen, 2012).

Welke combinatie van psychische stoornissen komt relatief vaak voor?

De combinatie stemmings- en angststoornis komt vaak voor.
In totaal heeft ruim de helft van de mensen met een stemmingsstoornis daarnaast een andere psychische stoornis, meestal is dit een angststoornis.

Een relatief klein percentage van de mensen met een stemmingsstoornis heeft een middelenstoornis.

In totaal heeft bijna 40 procent van de mensen met een angststoornis een andere psychische stoornis. Dit gaat met name om stemmingsstoornissen en in mindere mate om middelenstoornissen.

Ongeveer een derde van de volwassenen met een middelenstoornis heeft een andere psychische stoornis (Veerbeek, Knispel & Nuijen, 2012).

De vragen op deze pagina komen uit de samenvatting van het volgende studiemateriaal:

  • Een unieke studie- en oefentool
  • Nooit meer iets twee keer studeren
  • Haal de cijfers waar je op hoopt
  • 100% zeker alles onthouden
Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.
Trustpilot-logo