Locomotie spieren

17 belangrijke vragen over Locomotie spieren

Bespreek de positie van de massa van spierbuiken in het lichaam bij zoogdieren en vogels. Betrek hierbij de mogelijkheden tot snel bewegen en vliegen, het massa-zwaartepunt en het gewicht van de ledematen.

Bij de vogel ligt een groot deel van de spieren op de borst. Dit maakt krachtige adductie mogelijk → vliegen. De centrale ligging bevordert ook de stabiliteit tijdens het vliegen. Zoogdieren hebben vooral veel spieren proximaal van de ledematen → moet krachtig kunnen afzetten. Distaal zitten minder spierbuiken omdat deze anders voortbeweging zouden bemoeilijken (‘blok aan het been’).

Uit welke bewegingen bestaat de vliegbeweging en door welke spieren wordt dit veroorzaakt? Geef ook de rol aan van het schoudergewricht en de benige schoudergordel. Geef duidelijk de insertieplaatsen van de vliegspieren aan.

De neerslag wordt veroorzaakt door de m. pectoralis, deze spier hecht op de ventrale humerus aan. De m. supracoracoideus zorgt voor het heffen van de vleugels doordat deze door het foramen (foramen triosseum) tussen de botten van de schoudergordel loopt → hecht dorsaal aan.

Hoe vliegen vogels (m.b.t. luchtweerstand) en wat is de invloed van kortwieken van de slagpennen op de mogelijkheden tot vliegen

Door het vleugeloppervlak zo groot mogelijk te maken kun je meer lucht wegduwen. Bij kortwieken verminder je het oppervlak → minder opstuwende kracht. Door de bolle bovenkant van de vleugel stroomt de lucht sneller → lagere druk dan onder de vleugel → opwaartse kracht. Dit speelt m.n. tijdens glijvlucht
  • Hogere cijfers + sneller leren
  • Niets twee keer studeren
  • 100% zeker alles onthouden
Ontdek Study Smart

. Welke 7 aanpassingen zijn in de vogel aanwezig om het vliegen mogelijk te maken?

- Het skelet is licht (klein schedel, gereduceerde ledematen),
- geen urineblaas,
- carina (kiel) zorgt dat de meeste massa centraal ligt voor stabiliteit.
- een benige schoudergordel → kunnen krachten weerstaan / bieden stabiliteit.
- Het ingroeien van de luchtzakken in de botten zorgt er ook voor dat het skelet minder zwaar is.
- De rugwervels zijn ook deels gefuseerd → meer stevigheid en minder gewicht.
- De ribben hebben dwarse uitsteeksels die onderling verbinden → extra stevigheid.

. Welke 7 aanpassingen zijn in de vogel aanwezig om het vliegen mogelijk te maken?

- Het skelet is licht (klein schedel, gereduceerde ledematen),
- geen urineblaas,
- carina (kiel) zorgt dat de meeste massa centraal ligt voor stabiliteit.
- een benige schoudergordel → kunnen krachten weerstaan / bieden stabiliteit.
- Het ingroeien van de luchtzakken in de botten zorgt er ook voor dat het skelet minder zwaar is.
- De rugwervels zijn ook deels gefuseerd → meer stevigheid en minder gewicht.
- De ribben hebben dwarse uitsteeksels die onderling verbinden → extra stevigheid.

Een aantal soorten vogels die we kunnen scharen als goede vliegers, maakt een relatief lange aanloop voordat ze de lucht ingaan. Beredeneer waarom deze vogels dat doen.

Lange aanloop → meer luchtweerstand → meer lift. Trekvogels hebben ook meer type I spiervezels (moeten lange vluchten maken) waardoor ze minder goed korte vleugelslagen kunnen maken.

Beschrijf de hiërarchische opbouw van een spier, oftewel van grootste eenheid naar kleinste

Spier > spierbundel > spiervezel > myofibril > sarcomeer > microfilamenten.

In welke situaties zou de parallelvezelige spier geschikter zijn dan de gevederde? En andersom?

De parallelvezelige spier heeft een groter bewegingstraject maar minder kracht → grote bewegingen met minder kracht (bijv. m. sartorius of m. brachiocephalicus). Gevederde spieren kunnen minder sterk contraheren maar doen dit veel krachtiger (meer sarcomeren) → bijv. m. quadriceps femoris.

Hoe kunnen de spierlengte en spiervezellengte van elkaar verschillen?

De spier bevat hiernaast ook nog bindweefselstructuren en andere structuren. Deze kunnen minder goed uitrekken.

Bij welke hoek heeft de spier de grootste momentarm?

100°, het olecranon helt iets naar achter waardoor de momentarm het grootst is. Als dit niet zo zou zijn, dan zou 90° de grootste momentarm geven.

Wat gebeurt er met de pees van de diepe buiger op het moment dat een paard zijn been zal neerzetten tijdens bijvoorbeeld de draf?

en wat gebeurt er tijdens de zwaaifase?

Er steunt gewicht op → pees onder grote spanning.

  De hoef is hier meer gebogen. De pees staat nog strak, maar de spanning is veel minder dan tijdens het neerzetten (er steunt geen gewicht op).

Bij paarden verpezen spieren, die bij andere diersoorten actief blijven, zoals de tendo interosseus. Wat is de functie van de tendo interosseus bij het paard?

Onderdeel van het passieve sta-apparaat (kogeldraagapparaat) → voorkomt overstrekking kogel.

De peroneus tertius is bij het paard als verpeesde structuur aanwezig. Is het een onderdeel van het passieve sta-apparaat? Verklaar het antwoord.

De peroneus tertius vormt een onderdeel van het spanzaagmechanisme. Wanneer het paard staat staat de pees echter niet onder spanning, waardoor hij niet altijd tot het passieve sta-apparaat wordt gerekend. De oppervlakkige buiger staat wel onder spanning tijdens het passieve staan.

Primair wordt overstrekken van het metacarpo/metatarsophalangeale gewricht bij het paard voorkomen door het kogeldraagapparaat. Uit welke onderdelen bestaat dat>

Tendo interosseus, proximaal sesambeen, schuine sesambanden.

Hoe wordt het kniegewricht gestabiliseerd

- collateraalbanden: stabilisatie in laterale vlak
- voorste kruisband: houdt naar craniaal schuiven tegen
- achterste kruisband: houdt naar caudaal schuiven tegen
- menischi: zorgen ervoor dat het platte tibiaplateau kan articuleren met de ronde femurcondylen

Wat zijn de gevolgen van een voorste kruisbandlaesie?

de voorste kruisband voorkomt dat de tibia t.o.v. de femur naar craniaal beweegt. Klinisch kun je dat zien als een positieve schuifladetest. De mediale meniscus kan meegetrokken worden via de mediale collateraalband. De meniscus kan vast komen te zitten tussen het femurcondyl en het tibiaplateau → verdrukking → schade aan meniscus.

Het knie-slotmechanisme bij het paard. Bespreek uit welke onderdelen dit bestaat en hoe dit mechanisme functioneert. Welke spieren spelen een rol bij het op en van slot halen van de knie?

Het patellaligament van het paard bestaat uit 3 ligamenten. De vastus medialis kan het mediale patellaligament over de mediale rolkam trekken → knie op slot. De vastus lateralis kan de patella van het slot af trekken.

De vragen op deze pagina komen uit de samenvatting van het volgende studiemateriaal:

  • Een unieke studie- en oefentool
  • Nooit meer iets twee keer studeren
  • Haal de cijfers waar je op hoopt
  • 100% zeker alles onthouden
Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.
Trustpilot-logo