Probeer onze studie magie gratis!

Samenvatting: Organisme

Studiemateriaal generieke omslagafbeelding
  • Deze + 400k samenvattingen
  • Een unieke studie- en oefentool
  • Nooit meer iets twee keer studeren
  • Haal de cijfers waar je op hoopt
  • 100% zeker alles onthouden
Gebruik deze samenvatting
Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.
een PDF bestand en leer hem super snel
  • Geen aanmelding, e-mail of creditcard nodig!
  • AI maakt onbeperkte flashcards
  • AI maakt oefen toetsen van de stof
  • Stel vragen aan AI
Maak een notitieblok aan
  • Geen aanmelding, e-mail of creditcard nodig!
  • Heb en houd perfect overzicht
  • Maak Maak flashcards, notities en mindmaps
  • Oefen, test jezelf en scoor beter!

Lees hier de samenvatting en de meest belangrijke oefenvragen van Organisme

  • 2 Thema 2 invertebrata en vroege ontwikkeling (eencellig tot chordata)

  • 2.2 HC 3 vroege ontwikkelin nematode (rondwormen), amfibie, vogel en zoogdier (klieving en gastrulatie)

    Dit is een preview. Er zijn 12 andere flashcards beschikbaar voor hoofdstuk 2.2
    Laat hier meer flashcards zien

  • Wat is bilatereraal of bilateria?

    Organismen die symetrisch zijn
  • Wat zijn de parameters voor hoe een ei zich gaat delen? (klieving)

    Hoe de klieving verloopt ligt er aan hoe het dooier is verdeelt en hoeveel er van deze dooier in het ei zich bevindt. Dooiermateriaal zijn materialen die de voedingsstoffen verzorgen. Als het lang in het ei moet zitten heeft het meer dooiereiwit dan dieren die korter er in zitten.
    Waar geen dooier zitten krijg je makkelijkere  delingen.
    Dus hoeveelheid en waar  en hoe lang je in het ei zit, zijn dus de parameters voor de klievingspatronen.
  • Hoe delen de nematode, amfibie, vogel en zoogdier hun ei?

    Nematode: isolecithaal
    Amfibie: mesolecithaal
    Vogel: telolecithaal
    Zoogdier: isolecithaal (placenta krijgt de embyro voedingstoffen wanneer de dooier op is om voedingstoffen uit te halen)
  • Klievinsgdelingen nematoden en dan de C. elegans: Wat zijn de kenmerken hier van:

    • tripoblast,
    • protostomaat
    • pseudoceolomaat
    • leggen eitjes in de aarde
    • 16 uur embryogenesis
    • Larvale stadia (4)
    • Isolecithale eieren ( gelijk verdeelt, maar weinig dooiermateriaal)
    • Na elke deling krijg je een stamcel en een cel die zich gaat differentere
    • Na een paar klievingsdelingen komt er een holte een blastocoel die later een blastoporus=organiser wordt en daar kunnen de cellen naar binnen migreren en dat is het begin van de gastrulatie ( begin gastrulatie —> ontstaan blastoporus —> cellen migreren naar binnen)
  • Klievingsdelingen amfibie: kikker: Wat zijn de kenmerken hier van:

    • Triploblast
    • Deuterostoom
    • Coelomaat (een lichaamsholte die lijkt op die van de mens)
    • Uitwendige bevruchting
    • Leggen eieren in het water
    • 36 uur embryogenesis (zit dan nog een vis stadium als hij uit zijn ei komt)
    • Larvaal stadium
    • Mesolecithale eieren ****(m.n. aan vegetatieve pool, matige hoeveelheid dooiermateriaal)
    • begin gatrulatie —> ontstaan blastoporus —> cellen migreren naar binnen ( dorsale oermond lip = organiser)
  • Klievingsdelingen De zoogdier: mens: Wat zijn de kenmerken hier van:

    • Triploblast
    • Deuterostomaat
    • Coelomaat
    • Inwendige bevruchting
    • Vivipaar, baart een levend wezen tot dat het volgroeit en geboren wordt
    • Placenta
    • 9 maanden ontwikkeling in urtero
    • Isolecithale eieren ****(gelijk verdeelde, weinige hoeveelheid dooiermateriaal)
    • Eerst het begin gastrulatie dan pas innesteling in de baarmoeder.
    • blastocyst bestaat uit?:
      • inner cell mass = embryoblast (epiblast en hypoblast)
      • outer cell mass = trofoblast
    • ontstaan primitief streep/groeve
    • epiblastcellen migeren naar binnen
    • niet alle cellen zijn formatief
    • primitief knop = organiser
  • 2.3.1 instructiegenen

    Dit is een preview. Er zijn 7 andere flashcards beschikbaar voor hoofdstuk 2.3.1
    Laat hier meer flashcards zien

  • Wat/is doet specialisatie en differentiatie?

    verweven specifieke vorm en functie
    zijn inducerende factoren
    Twee manieren:
    Factoren in het cytoplasma wat er voor zorgt dat een gen wel of niet wordt af ge lezen dus asymmetrische verdeling van cytoplasma eiwitten
    Externe signalen, dus een cel krijgt andere signalen dan andere cellen waardoor ze een ander functie hebben.
    Dit is belangrijk voor het cytoskelet
  • Wat is en doet morphogen? (Specialisatie/ differentatie)

    Gradiënt van inducerende factoren worden morphogen genoemd, doormiddel van verschillende concentraties kan het verschillende functies aan de cellen geven.


    Organisaties binnen weefsels positionele identiteit wordt door morfogenen bepaalt.
  • Wat is spatio-temporele expressie?

     tijd en plaats gebonden, waar bevind je je en waar ben je en kan je bloot worden gesteld aan een stof op product.
  • 2.3.2 evolutie

    Dit is een preview. Er zijn 4 andere flashcards beschikbaar voor hoofdstuk 2.3.2
    Laat hier meer flashcards zien

  • Wat is de link van instructiegenen met evolutie

    • Ontwikkelings instructiegenen blijken evolutionair goed geconserveerd te zijn
    • Ze komen in uiteenlopende dieren voor (van fruitvlieg tot primaat), hebben dezelfde functie en zijn onderling uitwisselbaar

Om verder te lezen, klik hier:

Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting +380.000 andere samenvattingen Een unieke studietool Een oefentool voor deze samenvatting Studiecoaching met filmpjes
  • Hogere cijfers + sneller leren
  • Niets twee keer studeren
  • 100% zeker alles onthouden
Ontdek Study Smart

Onderwerpen gerelateerd aan Samenvatting: Organisme