Samenvatting: Thema 4
- Deze + 400k samenvattingen
- Een unieke studie- en oefentool
- Nooit meer iets twee keer studeren
- Haal de cijfers waar je op hoopt
- 100% zeker alles onthouden
Lees hier de samenvatting en de meest belangrijke oefenvragen van Thema 4
-
6 Thema 4.6 - Autismespectrumstoornis
Dit is een preview. Er zijn 15 andere flashcards beschikbaar voor hoofdstuk 6
Laat hier meer flashcards zien -
Beschrijf de belangrijkste verandering in de diagnostische criteria voor ASS die zijn geïntroduceerd in de DSM-5.
- De belangrijkste verandering in de
diagnostische criteria voorASS is desamenvoeging vandiagnoses enverwijdering vansubtypes . - Dit betekent dat de
subtypes van autisme zijnlosgelaten en er nu eencontinuüm ofspectrum wordt gebruikt dat devariabiliteit inpresentatie en ernst van de symptomen erkent. - In plaats daarvan worden er drie niveaus van ernst onderscheiden, gebaseerd op de mate van ondersteuning die nodig is in elk domein
- De belangrijkste verandering in de
-
Omschrijf genetica van ASS - etiologie en neuropathologie ASS
Tweelingstudies tonen aan datASS voor ongeveer 90% genetisch is bepaaldASS wordt hiermee beschouwd als een van deerfelijkste aandoeningen binnen de psychiatrie- Tot op heden is het niet gelukt helderheid te krijgen over het pathogenetisch mechanisme van ASS
- Hoewel er single gene disorders bekend zijn die gepaard gaan met autistische symptomatologie, zoals tubereuze sclerose en het fragiele-X-syndroom, gaat het vrijwel altijd om combinaties van genen in interactie met nog onbekende omgevingsfactoren
-
Cerebrum - etiologie en neuropathologie ASS
- Relatief grote hoofdomtrek (macrocefalie) bij ongeveer 20% van de kinderen met ASS.
- Verminderde integratie en connectiviteit in frontostriatale en pariëto-occipitale netwerken.
- Wittestof afwijkingen hebben gevolgen voor de uitwisseling van informatie tussen de verschillende hersengebieden.
- Tegenover de groei van het
hersenvolume staat een afname in het volume van het corpus callosum, wat mogelijk de informatie-uitwisseling tussen de beidenhemisferen beperkt bij mensen metASS
- Relatief grote hoofdomtrek (macrocefalie) bij ongeveer 20% van de kinderen met ASS.
-
Omschrijf centrale coherentie - cognitieve verklaringsmodellen ASS
- Frith’s hypothese was dat mensen met ASS een zwakke centrale coherentie (CC) hebben.
- Dit wil zeggen dat zij informatie niet automatisch globaal en in context verwerken om tot een betekenisvolle, samenhangende interpretatie van de omgeving te komen (‘the big picture’), maar de dat zij de informatie fragmentarisch en op lokaal niveau verwerken.
- Een zwakke CC is geen homogeen concept, maar opgebouwd uit twee factoren:
- Een goede analytische waarneming
- Een zwakke betekeniswaarneming.
-
In het onderzoek naar de relatie tussen hersenen en gedrag bij ASS zijn er vier belangrijke beschrijvende en/of verklarende modellen geformuleerd voor de afwijkingen in de sociale interactie, communicatie en gedrag bij patiënten met ASS. Welke 4 testen zijn dit?
Verborgen figuren test - zwakke centrale coherentieSally-Anne test - ToMWisconsin Card Sorting Test - EFEmpathiequotiënt vragenlijst - empathizing-systemizing-theory
-
7 Thema 4.7 - ADHD
Dit is een preview. Er zijn 12 andere flashcards beschikbaar voor hoofdstuk 7
Laat hier meer flashcards zien -
Potentiële omgevingsfactoren die in verbinding gebracht worden met ADHD
- zwangerschapsfactoren, zoals: zwangerschapsovergewicht en zwangerschapshypertensie, zwangerschapsvergiftiging, paracetamolgebruik en roken, maternale stress, en maternale blootstelling aan selectieve serotonineheropname-inhibitors (SSRI), gebrek aan meervoudig onverzadigd vetzuur docosahexaeenzuur (DHA), of hoge suikerconsumptie
- perinatale hypoxie
- vroeggeboorte of laag geboortegewicht
- extreme verwaarlozing in vroege leven
- lage opleiding van de ouders
- verkeersgerelateerde luchtverontreiniging zoals stikstofdioxide en kleine deeltjes
- synthetische voedseladditieven
- neurotoxische verontreinigende stoffen, met name organofosfaten en organochloor-pesticiden
- blootstelling aan neurotoxische zware metalen, zoals kwik, mangaan en lood
- Het gedrag van ouders beïnvloedt vermoedelijk het verloop van ADHD en kan zowel beschermende als verergerende effecten hebben. Het is echter onwaarschijnlijk dat ouderschapsgedrag op zichzelf een etiologische factor is.
-
Structurele hersenafwijkingen ADHD
- Een kleiner hersenvolume, vooral in de frontale kwabben.
- Verminderd volume van grijze stof in gebieden zoals de anterior cingulate cortex, hippocampus en cerebellum.
- Verminderde corticale dikte in de frontale en rechter cingulate cortex, wat invloed heeft op executieve functies en aandacht.
- Afwijkingen in hersenoppervlakte, met name bij kinderen in de leeftijd van 4-11 jaar.
- Verminderd volume van witte stof.
- Verschillen in neurologische ontwikkeling in vergelijking met mensen zonder ADHD, wat wijst op persistente ontwikkelingsveranderingen in de cortex.
- Recente studies tonen aan dat deze hersenstructuurafwijkingen mogelijk minder uitgesproken zijn dan eerder gedacht, waarschijnlijk door de heterogeniteit van ADHD. -
Wat zijn de mogelijke gevolgen voor meisjes als haar ADHD niet wordt gediagnosticeerd en behandeld?
Er zijn veel langetermijngevolgen die kunnen optreden:- verhoogde kans op academische problemen
- psychopathologie, zoals angst en depressie (internaliserend en/of externaliserend)
- executieve disfunctie
- problemen in sociale relaties:
- mishandeling of andere (vroege) nadelige ervaringen
- negatieve vader-dochterinteracties
- slachtofferschap/verwerping door leeftijdsgenoten
- laag zelfbeeld
- verhoogde kans op ongeplande zwangerschap
-
Stelling: juist of onjuist? - ADHD heeft een prevalentie van ongeveer 15 procent en komt even vaak voor bij mannen en vrouwen.
- De bewering is
onjuist . - De
globale prevalentie vanADHD wordtgeschat op 5,9 tot 7,1 procent (en zelfs tot 9,4%) bij kinderen, en op 1,2% tot 7,3% bijvolwassenen . - De
geslachtsverhouding is 2,3:1 bij kinderen en 1,5:1 (of lager) bijvolwassenen . In de afgelopen decennia zijn de prevalentiecijfers vanADHD gestegen , zowel bijjongens als bijmeisjes . Therapeuten zijn vaak onvoldoendegetraind , wat kan leiden totoverdiagnose (vooral bijjongens ) ofonderdiagnose (vooral bijmeisjes ).
- De bewering is
-
Stelling: juist of onjuist - ADHD vertoont hoge comorbiditeit met andere psychische stoornissen.
- De bewering is juist.
- ADHD vertoont een hoge comorbiditeit met andere psychische stoornissen, wat betekent dat het vaak samen voorkomt met aandoeningen zoals autisme, ODD, angststoornissen en depressie.
- Onoplettendheid is vooral gerelateerd aan teruggetrokkenheid en depressie, terwijl hyperactiviteit en impulsiviteit meer gekoppeld zijn aan gedragsproblemen.
- Comorbide stoornissen maken ADHD vaak hardnekkiger bij zowel kinderen als volwassenen.
- Er zijn mogelijke overlappen in symptomen en genetische variaties tussen ADHD en andere stoornissen.
- Risicofactoren zoals vroeggeboorte en een niet-ondersteunende opvoeding dragen ook bij aan verschillende neurologische ontwikkelingsstoornissen, samen met neuropsychologische aspecten zoals tekortkomingen in executieve functies.
- Hogere cijfers + sneller leren
- Niets twee keer studeren
- 100% zeker alles onthouden















