Gognitieve psychologie
24 belangrijke vragen over Gognitieve psychologie
Hoe ziet de cognitieve psychologie het mensbeeld?
- Mensen zijn informatieverwerkers
- Studie van kennisprocessen, motivatie, emotie, kennisopslag, waarneming, enz.
- Mensen verschillen erg van dieren (taal/geen taal, verschillende leerproccessen).
- Volwassenen verschillen erg van kinderen (logica, problemen oplossen, taalgebruik)
Je kan de cognitieve psychologie in twee visies indelen.
Welke zijn dit en wat houden ze in?
Mechanistische visie:
- Studie van cognitieve processen (hoe werkt het geheugen)
- Mens wordt vergeleken met computer (Informatie sla je op)
- Objectieve kennisverwerving.
Organistische/personalistische visie:
- Studie van inhoud cognitie (waarom herinner je A wel en B niet)
- Interactie tussen organismen en omgeving (wederzijdse beïnvloeding)
- Kennisprocessen moeten worden onderzocht d.m.v. Introspectie
- Mensen gaan actief met eigen gedachten om
Waarnemingen bestaan uit drie fasen, de hypethesefase, de informatiefase en de confirmatiefase.
Wat houden deze fases in?
1. Hypothesefase (psyche): verwachtingen van een persoon. De gevoelens komen vanuit het cognitieve schema.
2. Informatiefase (omgeving): binnenkomende informatie wordt geselecteerd.
3. Confirmatiefase (omgeving): Toetsing van de informatie. Klopte de informatie met de hypothese?
- Hogere cijfers + sneller leren
- Niets twee keer studeren
- 100% zeker alles onthouden
We hebben drie soorten geheugen. Welke zijn dat en wat houden ze in?
1. Sensorisch geheugen: het onmiddelijk onthouden van een beeld of geluidje. Dit duurt maximaal 6 seconden voor een beeld en 11 seconden voor een geluid.
2. Kortetermijngeheugen: Hierin zit de informatie die je voor maximaal 2 minuten kan vasthouden. Bijvoorbeeld een telefoonnummer onthouden.
3. Langetermijngeheugen: onbeperkte capaciteit. Hier wordt alle relevante informatie in opgeslagen. Informatie kan er ook weer uitgehaald worden.
Er zijn twee verschillende soorten geheugen. Wat is semantisch en episodisch geheugen?
Semantisch geheugen: algemene kennis/feitjes. Tijdstip waarop je dit hebt geleerd maakt vrijwel niks uit.
Episodisch geheugen: Autobiografische kennis. Herinneringen van vroeger. Wel erg tijdsgebonden. Afhankelijk van de interne of externe context.
Wat is input en output bij het geheugen?
Input: gedrag die je waarneemt.
Output: het gedrag.
Bij het ontwikkelen van cognitieve schema's komt assimilatie en accommodatie kijken.
Wat houden deze begrippen in?
Assimilatie: nieuwe informatie wordt in een bestaand cognitief schema geplaatst. (als je een baby een luciferdoosje geeft, dan plaatst hij dit in het schema rammelaar)
Accommodatie: nieuwe informatie zorgt ervoor dat er een nieuw cognitief schema wordt gemaakt. (De baby zal het stukje luciferdoosje kunnen scheiden van het schema rammelaar)
Wat is cognitieve stijl en attributiestijlen?
Cognitieve stijl: cognitieve overeenkomsten in mensen (introvert,extrovert)
Attributiestijlen: waar schrijf jij je gedrag aan toe? Intern of extern, stabiel of variabel, algemeen of specifiek
Wat is de rationele emotieve therapie (RET) van Albert Ellis?
Wat zijn cognitieve protheses?
Waarneming & cognitieve schema's;
Waarneming is een actief proces. We gebruiken daarbij cognitieve schema’s.
Wat is de waarnemingscyclus volgens Bruner?
Voorbeeld onbewust verlopende waarnemingscyclus: je rijdt elke dag van A naar B. Je voert routinematig allerlei handelingen uit en neemt veel info op, maar je denkt er niet bewust bij na. Er wordt 'gedachteloos' gehandeld.
Wat is een schema?
Noem de 5 kenmerken van een schema
- Het beïnvloedt welke informatie wordt waargenomen (selectie )
- Het interpreteert (betekenis toekennen aan waarneming) en transformeert (nieuwe betekenissen)
- Het beïnvloedt welke informatie uit het geheugen wordt opgehaald en welke betekenis eraan wordt toegekend (herinnering )
- Het beïnvloedt gedrag (actie)
- Schema kan veranderd worden
Wat is een schema?
Noem de 5 kenmerken van een schema
- Het beïnvloedt welke informatie wordt waargenomen (selectie )
- Het interpreteert (betekenis toekennen aan waarneming) en transformeert (nieuwe betekenissen)
- Het beïnvloedt welke informatie uit het geheugen wordt opgehaald en welke betekenis eraan wordt toegekend (herinnering )
- Het beïnvloedt gedrag (actie)
- Schema kan veranderd worden
Het geheugen is een bekend studieonderwerp in de cognitieve psychologie. Dit is niet los te zien van de waarneming, omdat het wordt gestuurd door wat wij al weten en de waarneming voedt het geheugen.
Ook input en output zijn cognitieve termen waar ook modellen bij horen.
Leg uit wat dit betekent. Welke 3 fasen zitten in het proces of welke 3 soorten geheugen zitten er tussen input en output?
Output: het gedrag
3 fasen/3 soorten geheugen:
- het sensorische geheugen (SG);
- het kortetermijngeheugen (KTG);
- het langetermijngeheugen (LTG);
NB. Dit geheugenmodel gaat uit van een lineaire ordening en bewuste verwerking van informatie (maar ook impliciete geheugenprocessen). Er zijn verschillende soorten langetermijngeheugen (bijv. semantisch en episodisch)
Hoe kun je angst na een ongeluk verklaren vanuit de cognitieve psychologie?
(Bij het verklaren van psychische stoornissen wordt vooral uitgegaan van een ontregeling van de informatieverwerking).
Overigens wijst onderzoek uit dat het ontbreken van een bewuste -expliciete-herinnering beschermend werkt: er ontwikkeld zich dan minder snel een PTSS.
Kennis/cognitieve schema's ontwikkelt zich in interactie met de omgeving. Hierbij spelen 2 processen een rol: assimilatie en accommodatie. Leg uit.
Accommodatie: Oude denkschema's aanpassen als gevolg van nieuwe kennis. Gevolg: een breder begrip vd werkelijkheid. Kortom: nieuwe cognitieve schema's.
Equilibratieproces is door het continu afwisselen van assimileren en accommoderen bereik je een hoger cognitief niveau.
Kennis/cognitieve schema's ontwikkelt zich in interactie met de omgeving. Hierbij spelen 2 processen een rol: assimilatie en accommodatie. Leg uit.
Accommodatie: Oude denkschema's aanpassen als gevolg van nieuwe kennis. Gevolg: een breder begrip vd werkelijkheid. Kortom: nieuwe cognitieve schema's.
Equilibratieproces is door het continu afwisselen van assimileren en accommoderen bereik je een hoger cognitief niveau.
De cognitieve ontwikkeling verloopt bij kinderen in fasen. Elke fase kenmerkt zich door een bepaald niveau van logisch redeneren. Noem de 4 cognitieve stadia volgens Piaget
- Sensomotorische fase; 0-2 jaar> objectconstantie; kind leer dat wanneer object niet meer te zien is, het nog wel bestaat
- Preoperationele fase; 2-7 jaar> egocentrisme (eigen perspectief staat centraal. Kind denkt dat gebeurtenissen door hemzelf zijn veroorzaakt, bijv. Scheiding) + magisch denken
- Concreet operationele fase; 7-11 jaar> kind heeft zichtbare objecten nodig om logisch te kunnen redeneren. Magisch denken wordt meer logisch denken (Sinterklaas bestaat niet).
- Formeel operationele fase; vanaf 11 jaar en ouder; weet bij overgieten van vloeistof in hoger glas dat het dezelfde inhoud heeft.
Wat betekent attributie? Wat is het verschil tussen interne en externe attributie?
Intern= ik was zelf de oorzaak
Extern= iets of iemand anders is de oorzaak
Wat is het grondmodel in de cognitieve psychotherapie?
Gebeurtenissen> Gedachten> Gevoelens> Gedrag> Gevolgen
Dit lijkt op het SORC-schema uit het (neo)behaviorisme. Verschil is dat in de cogn. therapie de nadruk op gedachten wordt gelegd. Bij behaviorisme op S+R.
Welke toepassingen zijn er in de cognitieve psychologie?
- Psycho-educatie: geven van uitleg en voorlichting met een therapeutisch doel.
- Cognitieve prothesen: verminderen van de beperkingen die cognitieve gebreken opleveren door hulpmiddelen.
- Cognitieve psychotherapie: Het beïnvloeden van een interpretatie of automatische gedachte staat centraal. Kortom: het veranderen van een cognitief schema
In de cognitieve psychotherapie wordt ook wel het ABC-schema van RET (rationeel emotieve therapie) gebruikt. Wat houdt dit in?
A: Activating event: een gebeurtenis die gedachten uitlokt
B: Belief system: een systeem bestaat uit rationele en irrationele gedachten
C: Emotional and behavioral Consequences: de consequenties waar de persoon last van heeft
In de cognitieve psychotherapie wordt ook wel het ABC-schema van RET (rationeel emotieve therapie) gebruikt. Wat houdt dit in?
A: Activating event: een gebeurtenis die gedachten uitlokt
B: Belief system: een systeem bestaat uit rationele en irrationele gedachten
C: Emotional and behavioral Consequences: de consequenties waar de persoon last van heeft
Wat houdt de derde generatie gedragstherapie in? Welke therapieën zijn er zoal?
- Bestrijden gedrag
- Bestrijden gedachten
- Helikopterview en accepteren en ervaren, voelen, doen
- Mindfulness> Opmerkzaamheid, accepteren, objectief beschouwen
- ACT (Acceptance and Commitment Therapy)>Accepteer je gevoelens, gedachten en gedrag. Deze proberen te onderdrukken of beheersen maakt het alleen maar erger & Bedenk haalbare doelen (gekoppeld aan waarden) en committeer je daaraan
- Traumatherapie> Disfunctionele gedachten uitdagen en veranderen
- Mindfulness / trainen in het accepteren van traumatische herinneringen
- EMDR (Eye movement desensitization and reprocessing)
De vragen op deze pagina komen uit de samenvatting van het volgende studiemateriaal:
- Een unieke studie- en oefentool
- Nooit meer iets twee keer studeren
- Haal de cijfers waar je op hoopt
- 100% zeker alles onthouden















